Nu Mika Godts Ajax heeft verlaten, valt er een moeilijk in te vullen vacature links voorin. Abdellah Ouazane, 17 jaar pas, is een groot talent maar meer een ‘nummer 10’ dan een echte linksbuiten. Hoewel Godts nog een weg heeft af te leggen voor hij tot de wereldtop behoort, was de creatieve Belg de laatste twee jaar een verademing in het matig acterende Ajax. Ook Feyenoord worstelt met deze positie, na het vertrek van Paixao: Leo Sauer kon de verwachtingen niet waarmaken, Diarra en de peperdure Borges ontberen het raffinement. Hoe komt het dat wij zulke spelers weinig meer voortbrengen uit onze eigen jeugd?
Als je zoals de meeste clubs in Nederland een 4-3-3 speelt, kun je het niet stellen zonder linksbuiten en liefst ook rechtsbuiten met een goede actie. Spanje won het EK in 2024 en het WK dit jaar met een klassieke 4-3-3 (met de punt (Rodri) naar achteren, zoals Happel en Michels het hadden gewild), maar ook dankzij twee piepjonge, getalenteerde buitenspelers: Lamine Yamal en (in mindere mate) Nico Williams. Dat systeem, bedacht in 1968 door Happel, is nog altijd moeilijk te verdedigen, mits je in alle linies de juiste spelers hebt.
Ik moet zeggen dat onze buitenspelers op het WK 2026, met name Gakpo en Summerville, het best goed deden. Gakpo is opgeleid bij PSV en Summerville bij Feyenoord. We verloren door een vreemde opstelling van Koeman tegen Marokko.
Noa Lang is opgeleid door zowel Feyenoord en Ajax. En dan heb je nog Ruben van Bommel als talentvolle linksbuiten. Dus helemaal droog staan we niet. Toch is het zorgelijk dat zowel Ajax als Feyenoord al een paar jaar geen goede buitenspelers voortbrengen uit de eigen jeugd; Godts is op zijn 18e gekocht door Ajax van Genk. Mika Godts is wel een verademing om naar te kijken.
Keizer, Moulijn en Rensenbrink
In mijn jeugd waren we in dit opzicht erg verwend. In de jaren zestig en zeventig speelden zowel Piet Keizer (Ajax), Coen Moulijn (Feyenoord) en Rob Rensenbrink (DWS) op de Nederlandse velden. Rensenbrink, ‘de slangenmens’, vertrok naar Anderlecht, omdat hij niet bij Ajax of Feyenoord op de bank wilde zitten voor deze grootheden. In die tijd waren linksbuitens nog linksbenige spelers.
In het Ajax van de godenzonen dat drie keer de Europa Cup won, was Cruijff natuurlijk de grote man. Maar ik herinner mij dat wij als jongens vooral bewondering koesterden voor de mysterieuze Piet Keizer, met zijn onnavolgbare schijnbeweging. Keizer kon je soms een hele tijd niet zien, waarna hij toch de wedstrijd besliste met zijn fabuleuze ‘schaar’. Ook had hij een fantastische traptechniek. Hij kon vrije trappen van 35 meter precies in de bovenhoek schieten; zijn corners deponeerde hij moeiteloos op de beoogde kruin van een instormende spits.
Keizer bleef altijd een sfinx; waar Cruijff te pas en te onpas in de media verscheen, hoorde je weinig van de nors ogende maar volgens insiders wel sociale Piet Keizer. Ik las laatst ergens dat zijn vader ‘fout’ was in de oorlog; misschien was dat ook een reden voor hem om geen aandacht op zichzelf te vestigen.
Tijdens het WK van 1974 was Keizer, die vier jaar ouder was dan Cruijff, misschien net een beetje ‘over the hill’. Toch is het wrang dat in die beroemde WK-finale tegen Duitsland, toen Rensenbrink geblesseerd uitviel, Michels in de rust eerst Keizer zich liet omkleden, om vervolgens René van de Kerkhof in te brengen. Had Michels nog een rekening te vereffenen met Keizer, die zijn autoriteit bij Ajax had getart? Hadden we nog gelijk kunnen maken tegen de Duitsers, met die ene magistrale beweging van Piet?
Als ik zelf op de veldjes voetbalde met vrienden, probeerde ik altijd Piet Keizer na te doen. Ik herinner me dat we een keer aan het voetballen waren bij het Van Heutsz-monument, toen er een taxi langsreed. ‘Hee, die taxichauffeur is de broer van Piet Keizer’ , riep iemand. Dat vonden we al heel wat.
Robben en Overmars
Na een inzinking eind jaren zeventig en begin tachtig, stond weer een gouden generatie op: Gullit, Rijkaard, Van Basten en Vanenburg. Allemaal geweldige spelers, maar geen typische linksbuitens. Later kregen we die wel in de persoon van Marc Overmars en Arjen Robben, die op enig moment van links naar rechts verhuisde. Sinds die tijd spelen buitenspelers meestal met hun goede been aan de binnenkant om de actie binnendoor te maken: Robben was daar een (nog altijd niet geëvenaarde) meester in. Overmars kwam van links naar binnen om met rechts uit te halen: zijn wapen was vooral zijn ongelooflijke snelheid.
Mede dankzij Overmars won Ajax de Champions League, Robben deed dat later met Bayern München en was bepalend bij het behalen van de tweede plaats op het WK van 2010.
Na en voor Robben en Overmars hebben we zeker nog talenten gehad op de vleugels, denk aan een Brian Roy, Ryan Babel, een Bergwijn, een Gakpo, een Lang, maar deze spelers vallen vooralsnog net onder de wereldtop, die wel gehaald werd met Moulijn, Keizer, Rensenbrink, Overmars en Robben.
Jeugdopleiding
De vraag die nu gesteld mag worden, ik stelde hem ook op X: is het toeval dat dergelijke supertalenten zich nu niet aandienen bij de Nederlandse clubs, of wordt er verkeerd gescout en opgeleid? Bijvoorbeeld meer op kracht, het vervullen van tactische opdrachten, enzovoorts. Spelers als Moulijn of Keizer deden weinig verdedigend werk, daarvoor hadden ze hun waterdragers. Maar Lamine Yamal hoeft dat ook niet te doen. Hebben we in Nederland als door-en-door genivelleerd land misschien ook in de sport te weinig oog voor dat ene unieke talent, waardoor die voortijdig afvallen?
Als je in 1958 over de bijvelden van het Ajax-complex had gelopen, had je daar de 14-jarige Pietje Keizer zijn schijnbeweging langs de zijlijn zien uitvoeren, terwijl op het veld ernaast de tienjarige Cruijffie liep te pingelen. Kennelijk was de technische staf toen wél in staat het talent te onderkennen en te ontwikkelen. Cruijff was een scharminkeltje, maar Ajax zag zijn talent. Hij kreeg speciale voeding en oefeningen om aan te sterken. Omdat zijn moeder na het vroege overlijden van Cruijff’s vader de contributie van Ajax niet kon betalen werd daar een mouw aan gepast, door haar een schoonmaakbaantje te geven op de club.
Beroemd is ook de anekdote dat Wim van Hanegem als jongen langs de Utrechtse voetbalvelden zwierf. Ook Van Hanegem had zijn vader jong verloren, in zijn geval door het bombardement bij Breskens. Ook zijn moeder had niet het geld om de contributie te betalen. Maar toen de kleine Van Hanegem naast het trainingsveld van Velox de zoekgeraakte ballen met zijn linkerbeen onberispelijk terugschoot, herkende trainer Daan van Beek zijn talent en zorgde dat hij bij de club kon gaan spelen.
Zo kreeg Nederland de beste generatie voetballers ooit, wonnen Nederlandse clubs vier keer achter elkaar de Europa Cup, te vergelijken met de Champions League nu, en wonnen we bijna het WK in 1974. Door oog voor het individuele talent en dat te koesteren, in plaats van te hameren op de discipline van de middelmaat.
Misschien moeten ze dat weer gaan doen, in de jeugdopleidingen. Zodat we, als een Paixao of een Godts vertrekt naar het buitenland, gelijk een supertalent uit de jeugd kunnen inbrengen, eentje die kan versnellen en toveren met de bal. Lamine Yamal stond op zijn 16e al op het EK; toen hij de finale won was hij 17 jaar en één dag.
Kom op jeugdopleiders bij de clubs en KNVB, spoor de nieuwe Keizer, Moulijn, Robben of Overmars op. Laat ze hun acties maken en verzuip ze niet in allerlei tactische opdrachten. Het kan wél!





















