Cruijff & Van Beveren

Cruijff & Van Beveren

Foto via Wiki Commons van Rob Mieremet / Anefo: Cruijff en Van Beveren op Schiphol voor een wedstrijd van het Nederlands Elftal in 1969. 

Bij het struinen langs internet berichten viel me laatst iets op, dat ik nooit heb geweten: wijlen PSV-keeper Jan van Beveren (1948 – 2011) was een geboren Amsterdammer, die tot zijn tiende jaar in de Argonautenstraat woonde in Amsterdam-Zuid, op de eerste verdieping. Op een nabijgelegen pleintje oefende zijn broer Wil die later prof zou worden bij Sparta zijn schoten op het jongere broertje Jan, die daarom steevast op doel moest staan. Een keeperstalent was geboren!

Maar hoe zit het dan met het beroemde conflict tussen Cruijff en Neeskens enerzijds en Van Beveren en Willy van der Kuijlen anderzijds, dat Van Beveren de WK’s van 1974 en 1978 zou kosten? Ja, dat was een conflict tussen Ajax en PSV-spelers, maar toch ook een beetje de hoofdstedelijke arrogantie versus provinciale bescheidenheid? Zo staat het me bij, en ik kan dat niet goed rijmen met het “Amsterdammerschap” van Jan van Beveren. Op een regenachtige zondag, besloot ik me eens in de materie te verdiepen.

Verhuizing naar Emmen

Toen Jan tien jaar was, verhuisde het gezin Van Beveren naar Emmen waar de vader, eveneens Wil geheten, een baan had aangenomen als sportjournalist. Voor de oorlog genoot hij enige bekendheid als atleet. Zo kwam het dat Lange Jan onder de lat kwam te staan bij FC Emmen, waar hij al op zijn 15e jaar in het eerste elftal keepte. Zijn broer Wil die ook bij FC Emmen speelde vertrok naar Sparta als profspeler en toen Lange Jan daarom werd teruggezet naar het tweede elftal, speelde zijn sterke gevoel voor rechtvaardigheid voor de eerste keer op.

Sparta Rotterdam

Jan van Beveren, inmiddels 17 jaar geworden, stapte op zijn brommer en reed naar Rotterdam waar hij door Sparta na een korte stage werd aangenomen als reserve-keeper achter Pim Doesburg. En hij had nog maar zeven competitiewedstrijden gespeeld of hij werd gevraagd als keeper van Jong Oranje en vrij snel ook van het grote Oranje. Jan van Beveren zou de onomstreden keeper van het Nederlands Elftal blijven tot hij in 1974 het WK miste vanwege een blessure maar vooral vanwege het conflict met Cruijff, want van de blessure was hij net op tijd hersteld. Maar Rinus Michels koos eieren voor zijn geld en stuurde Lange Jan naar huis vlak voor het WK.

Zweefduiken

De jonge Jan van Beveren met zijn karakteristieke zweefduiken, waarmee hij ballen luchtig uit de kruising plukte en daarna aan de borst drukte, moet een supertalent zijn geweest want het duurde niet lang of hij verdrong als 18-jarige Pim Doesburg uit de basis bij Sparta. De Rotterdammers verkochten (of ruilden) Doesburg aan PSV, waarna Van Beveren enkele jaren de eerste keeper zou zijn van Sparta. Enkele jaren later wisselden Van Beveren en Doesburg weer stuivertje: Van Beveren ging naar PSV waar hij de eerste keeper zou zijn van 1970 tot 1980. Doesburg keerde terug naar Sparta, maar zou na het vertrek van Jan van Beveren weer terugkeren naar PSV. Pim Doesburg is trouwens nog altijd recordhouder qua aantal voetbalwedstrijden in de eredivisie.

Bijna naar Ajax

Vreemd genoeg had het weinig gescheeld, of Jan van Beveren was in 1969 keeper geworden van… Ajax. De lange doelverdediger was persoonlijk rond met de club uit Amsterdam, maar Sparta wilde hem niet laten gaan, ondanks een juridische procedure die Van Beveren had aangespannen. Ook hier blijkt dat Jan van Beveren overal waar hij kwam toch ook conflicten meebracht, al had hij het gelijk vaak aan zijn zijde: hij kreeg een reputatie van “zeikerd”. Net als zijn grote tegenstrever in de jaren zeventig, Johan Cruijff. Maar die kwam daar, als beste speler van de wereld, mee weg.

Sponsorcontracten

Het conflict van 1974 draaide erom dat Cruijff, Neeskens, Van Hanegem en Keizer een apart sponsorcontract kregen via Cruijff’s schoonvader Cor Coster. De KNVB wilde dat niet en kocht het contract af bij de spelers, maar gebruikte de middelen daarvoor uit de spelerspot, waardoor de andere spelers minder kregen. Van Beveren uitte zijn ongenoegen over die gang van zaken en werd daardoor gezien als een bedreiging door Cruijff en Michels, zo blijkt uit een reconstructie in het boek “Klem! Jan van Beveren, vlinder in de zestien” van Ruud Doevendans.

Klem

De latente Amsterdammer in Jan van Beveren

Dit brengt mij tot de gedachte (psychologie van de koude grond, waarde lezer) dat Jan van Beveren die opgroeide in Emmen en een warm bad vond bij de Brabantse club PSV, qua karakter en persoonlijkheid toch een Amsterdammer was gebleven en misschien juist dáárom botste met Cruijff. Ze waren te veel hetzelfde! Immers, in de eerste tien levensjaren wordt de persoonlijkheid van een mens wel gevormd en de geboren en getogen Amsterdammer Jan van Beveren zal daar heus wel wat van over hebben gehouden. Amsterdammers zijn mondig, lastig (aldus mijn opa) en ze laten zich de kaas niet van het brood eten.

Slap gedoe van Knobel en Zwartkruis

Een opmerkzame twitteraar wees mij erop dat Jan van Beveren weliswaar een Amsterdammer was maar dan toch een “keurige jongen” uit Amsterdam-Zuid, terwijl Cruijff uit het volksere Amsterdam-Oost kwam. Kan dit ook een oorzaak zijn geweest van de wederzijdse irritaties? In de jaren 1977 en 1978 was het overigens toenmalig Oranje-aanvoerder Ruud Krol die ervoor zorgde dat Jan van Beveren zijn basisplaats in Oranje kwijtraakte. Zwak leiderschap van Oranje-coaches George Knobel en later  Jan Zwartkruis, die gehoorzaam de wensen van Krol c.s. inwilligden. Het is één van de redenen geweest, naast bedreigingen, dat Jan van Beveren met zijn gezin in 1980 emigreerde naar Amerika, om – los van een incidenteel familiebezoek – nooit meer terug te keren naar Nederland.

WK-finale in 1974

Dit alles overwegende is het voor mij als voormalig DWS-keepertje én veldspeler (en altijd een fan van Jan Jongbloed geweest) verleidelijk om even weg te dromen. Wat als Jan van Beveren nu wel in 1969 zijn gedroomde transfer naar Ajax had gekregen en drie maal de Europa Cup had gewonnen met de hoofdstedelijke brigade? Was hij dan bevriend geraakt met Cruijff, of waren ze elkaar juist eerder in de haren gevlogen? We kunnen het niet weten, maar de gedachte dat bij een betere relatie Cruijff – Van Beveren de laatste de WK-finale van 1974 had gespeeld en die bal van Gerd Müller met een katachtige beweging gegrepen had, is maar al te verleidelijk.

Gerrie_Deijkers_(links,_DWS)_in_duel_met_Jan_van_Beveren_(PSV),_Bestanddeelnr_925-5975
Jan van Beveren plukt de bal uit de lucht voor DWS’er Gerrie Deijkers, die later met Van Beveren voor PSV zou spelen. Deijkers – ook overleden inmiddels – begon ooit bij Baronie in Breda, ik zag laatst toevallig zijn foto daar in de kantine hangen.

Voetballende keepers

Ook bij het WK van 1978 had een Jan van Beveren in topvorm een verschil kunnen maken, met alle respect voor de kwaliteiten van Piet Schrijvers en Jan Jongbloed. Overigens, Jan Jongbloed was zeker onze beste voetballende keeper ooit, ik heb hem jaren gevolgd bij DWS en FC Amsterdam en hij liet daar altijd verbluffende staaltjes zien qua meevoetballen buiten het strafschopgebied. Jongbloed was tot zijn 17e jaar linksbuiten geweest.  Maar oud PSV-coach Kees Rijvers heeft altijd beweerd dat Jan van Beveren ook uitstekend kon voetballen en niet alleen een goede lijnkeeper was. Volgens Rijvers heeft hij zelfs wel eens serieus overwogen Van Beveren in de spits te zetten.

Perfectionisten

Afijn, het is gegaan zoals het is gegaan. Ik denk dat Jan van Beveren en Johan Cruijff op hun manier allebei perfectionisten waren en allebei als “lastig” ervaren werden. Ook traden deze beide Amsterdamse jongens graag op als leider van een groepje. Het toeval heeft gewild dat Van Beveren dat deed bij PSV en Cruijff bij Ajax, waardoor de twee supertalenten met elkaar in botsing kwamen. En Nederland het WK van 1974 nét niet won… Uiteindelijk was het een tragische geschiedenis. Vooral voor Jan van Beveren maar ook voor alle voetballiefhebbers, omdat we twee keer net naast het goud grepen.

De laatste jaren

Al googelend trof ik nog wat filmpjes van Jan van Beveren in zijn laatste levensjaren (hij stierf in 2011 thuis na een hartaanval), als voetbalcoach van een onbekende club in Amerika. Hij trainde daar jongens en meisjes die waarschijnlijk talentloos waren en Jan van Beveren zal misschien altijd de pijn hebben gevoeld van een topsporter, die niet het uiterste gehaald had uit zijn carrière. Maar als je de beelden op onderstaand YouTube filmpje bekijkt, zie je een gelukkige sportman op leeftijd.

De oudere Jan Beveren oogt milder dan vroeger. Een lieve man die volgens de verhalen te veel koffie dronk en meer sigaretten rookte dan goed voor hem was. Ook al een gelijkenis met de nerveuze, rokende Cruijff die ooit na hartproblemen stopte met roken. Maar we zien “Yawn” van Beveren in beeld als een gemoedelijke coach, die geliefd was en bewonderd werd door zijn spelers en speelsters.

Laten we ons daar maar aan vasthouden.

 

 

 

 

Het is tijd voor een alternatieve nationale Sinterklaasintocht

Het is tijd voor een alternatieve nationale Sinterklaasintocht

De landelijke Sinterklaasintocht zoals wij die al jaren kennen door de verslaggeving van de NTR (voorheen NOS/NTS) en van het Sinterklaasjournaal, is ooit begonnen als een burgerinitiatief. Maar inmiddels heeft de politiek de regie overgenomen. Door het “witwassen” van de landelijke televisieintocht en alle intochten in de grote steden op last van politiek-correcte burgemeesters en omroepbobo’s, is de historische sprookjesfiguur Zwarte Piet bijna overal verdreven door de gekunstelde en bovenal herkenbare roetveegpiet.

De meeste Nederlanders zien daar niets in. Lokale intochten met “echte” Pieten worden steeds populairder. Vooral door de herkenbaarheid van de roetveegpiet, is de sprookjesachtige magie van het kinder- en familiefeest grotendeels verdwenen. Is het niet tijd voor een nieuw burgerinitiatief: een alternatieve nationale intocht?

Sinterklaasintochten

Sinterklaasintochten op kleine schaal waren er al in de 19e eeuw, maar de eerste keer dat zoiets groots werd aangepakt was in 1934 in Amsterdam. Dit was een burgerinitiatief, afkomstig van het ICA (Initiatief Comité Amsterdam), een bont gezelschap van heren actief in het verenigingsleven en de kunsten, met als grote animator de Amsterdamse huisarts en gemeenteraadslid Dr. Maurits (“Maupie”) de Hartogh. Hij lanceerde in 1934 bij een ICA-vergadering het plan voor de intocht (op basis van een idee van NRC-journalist David Kouwenaar) met de historische woorden:

“of het wordt een enorm debâcle, of een enorm succes!”

Mijn grootvader de Amsterdamse dierenarts Dr. Jan Gajentaan (1902 – 1987) was niet alleen de eerste Televisiesinterklaas in 1952 en gedurende 13 jaar de Amsterdamse Sint, hij was als jong bestuurslid van het ICA ook aanwezig bij de vergadering in 1934 toen het allemaal bedacht werd. Veertig jaar later schreef hij er dit artikel over.

Televisieintocht

De Sinterklaasintocht werd dus live op de televisie verslagen vanaf 1952. Veel mensen zullen dat in het begin niet gezien hebben, om de simpele reden dat de meeste mensen nog geen televisie hadden en TV-zendmast Lopik nog maar een beperkt bereik had.

In de loop der jaren verbeterde het bereik van de zendmast, kregen meer mensen televisie en ook de kwaliteit van de verslaggeving verbeterde, zeker toen Mies Bouwman in beeld verscheen om de goedheiligman welkom te heten.

17 november 1962 jac. de nijs
Sinterklaas met Mies Bouwman in 1962, Amsterdam. Schrijver dezes is het jongetje dat een tekening mag aanbieden, zijn zusje de bloemen.

Samenwerking ICA en NTS

In de jaren vijftig was er een goede samenwerking tussen het ICA en de NTS bij de totstandkoming van de televisieuitzending over de Amsterdamse intocht. Hoewel de NTS geen enkele financiële bijdrage leverde maar wel met een hoop eisen en verlangens kwam, voldeed het ICA zoveel mogelijk aan die eisen en toonde zich een zorgzame gastheer. Voor heel Nederland was het vanzelfsprekend dat de nationale intocht (het begrip “landelijke intocht” bestond toen nog niet) in Amsterdam plaatsvond.  In 1960 werd weliswaar de televisieintocht in Rotterdam gehouden met als Sint Dick van Bommel,  maar vanaf 1961 was Mies Bouwman weer present in Amsterdam.

NTS kaapt de nationale intocht

Zo ging het voort. De verbazing en verontwaardiging bij het ICA was dan ook groot toen de NTS in 1964 slechts enkele dagen voor de intocht, als een dief in de nacht, aankondigde met een eigen “landelijke” intocht en een eigen Sint te komen. Dat was dat jaar in Hoorn. Journalist-schrijver en ICA-bestuurslid Henri Knap (Dagboekanier in Het Parool) schreef er verontwaardigd over:

“En daarom vind ik (zij het dan als ICA-lid niet onbevooroordeeld) het besluit van de NTS een besluit, dat op alle manieren moet worden betreurd:
Omdat het veel te laat ter kennis van het ICA is gebracht;
Omdat het een traditie om hals brengt;
Omdat het de symboliek van juist die aankomst in de hoofdstad van dit land, de grootste stad des lands ook èn de stad-van-Sint, de stad, waarin het idee van zo’n intocht is geboren en ook voor het eerst (en het langst, met de meeste
 ervaring en de meeste middelen) is uitgevoerd — omdat het dit bijzondere karakter ontkent”.

Radicale actiegroepen

Afijn, gedane zaken nemen geen keer en voor de huidige generatie Nederlanders is de landelijke intocht van de NTR gevoelsmatig de “nationale”, al zal Amsterdam nog steeds qua toeschouwersaantal het hoogste scoren. Maar nu de politiek in haar streven radicale actiegroepen tegemoet te komen bij de landelijke intocht alle Zwarte Pieten heeft verboden, groeit de behoefte aan een alternatieve nationale intocht die op de traditionele wijze vorm wordt gegeven. Dus mét de magische Zwarte Piet figuur.

Dit initiatief hoeven we niet te verwachten van onze politici die immers doodsbang zijn de één of andere actiegroep voor het hoofd te stoten. Sterker nog, burgemeester Waanders (PvdA) deed bij de landelijke intocht in Dokkum alle mogelijke moeite de radicale activisten van KOZP naar Friesland te halen, terwijl deze het niet eens van plan waren! Dit kwam achteraf pas aan het licht door een WOB-verzoek van Jenny Douwes.

Gevoeligheden

Hoewel een kleine groep activisten met een anti-westerse agenda de Zwarte Piet-discussie telkens weer aanzwengelt en via ingangen bij media en bestuur – en niet op de laatste plaats door hun geweldbereidheid – buitensporig veel invloed uitoefent, zal ik niet ontkennen dat Zwarte Piet gemengde gevoelens oproept bij sommige Nederlanders met een Surinaamse, Antilliaanse of Afrikaanse afkomst. Maar dat geldt zeker niet voor allen. Ik ken ook veel Nederlanders met deze roots die juist enorme lol hebben in het Sinterklaasfeest mét Zwarte Piet. Zonder deze ondeugende sprookjesfiguur vinden ze er niets meer aan. Net als de meeste Nederlanders!

Er zijn natuurlijk ook mensen die de Zwarte Piet figuur niet leuk vinden, of vervelende ervaringen hebben en daarmee mogen we best rekening houden. Dat zou kunnen door naast Zwarte Piet ook andere sprookjesfiguren mee te laten lopen bij de intocht. Wat vroeger ook het geval was. Door met elkaar het gesprek aan te gaan en ervoor te waken dat er geen racistische stereotypes binnensluipen in de vertolking van Zwarte Piet.

Al deze zaken zouden toch in normaal overleg geregeld kunnen worden. Je zou zelfs kunnen afspreken dat de Pieten op bepaalde plekken niet komen, zodat mensen die mee willen doen maar bezwaren hebben tegen ZP zich toch op hun gemak voelen. Het moet immers feest zijn voor álle kinderen!

Zo houdt de meerderheid rekening met de minderheid, in plaats van wat we nu zien: de minderheid legt zijn wil op aan de meerderheid. Waarom telkens bij voorbaat al zwichten voor radicale activisten, die toch nooit geheel tevreden zullen zijn?

Alternatieve nationale intocht

Het is tijd voor een alternatieve nationale intocht. Laat de burgerij het initiatief terugpakken. Eigenlijk hebben we een nieuwe “Maupie” de Hartogh nodig. Die was voor geen kleintje vervaard en toen de rechtzinnige Amsterdamse burgemeester De Vlugt bij de eerste intocht in 1934 niets van het kinderfeest wilde weten, parkeerde Maupie de Sint met stoet pardoes voor het gemeentehuis zodat de burgervader gedwongen was de goedheiligman welkom te heten. “Maupie, ik weet niet hoe je mij zo gek hebt kunnen krijgen”, fluisterde de burgemeester nadat hij Sint had toegesproken.

De bravoure en het organisatorisch talent van Dr. Maurits (Maupie in de volksmond) de Hartogh hebben  we weer nodig. Van het huidige bestuur en media hoeven we niets te verwachten. Dan schiet mij één persoon te binnen die dit allemaal in huis heeft: onze nationale blokkeerfriezin Jenny Douwes.

Amsterdam is – ik constateer het met grote spijt – tegenwoordig als links intolerant bolwerk niet meer geschikt voor een dergelijk festijn. Maar één provincie lijkt me toch wel bij uitstek geschikt om zo’n alternatieve nationale intocht te houden:  Friesland!

 

 

 

 

 

 

 

10 feiten over Joris Demmink en de Februaricoup in Suriname

10 feiten over Joris Demmink en de Februaricoup in Suriname

Foto: Joris Demmink (links) en Hans Valk (rechts) in de jaren tachtig

Nu de naam Joris Demmink ook genoemd wordt in de rechtszaak tegen de politicus Geert Wilders, hij zou op het Ministerie van Justitie overleg hebben gehad met minister Opstelten hierover, moest ik denken aan eerdere ophef inzake Demmink. Dan denk ik niet zozeer aan de pedo affaires waarin de inmiddels gepensioneerde Demmink genoemd wordt – daarvan weet ik te weinig om er iets zinnigs over te kunnen zeggen – maar wel aan de Februaricoup van 1980 in Suriname.

Nog even de feiten op een rijtje:

  1. Joris Demmink was in 1980 de Suriname coördinator op het Ministerie van Defensie in Den Haag en had in die rol regelmatig overleg met kolonel Hans Valk, hoofd van de Nederlandse Militaire Missie in Suriname. Valk viel hiërarchisch onder de Nederlandse ambassade in Suriname;
  2. Kolonel Valk verklaarde later (eind 1982) tegenover de journalisten Gerard van Westerloo en Elma Verhey van het blad VN dat de Februaricoup nooit had kunnen slagen zonder zijn technische assistentie. Volgens Valk was daarmee veel bloedvergieten voorkomen en had hij de belangen van de ca. 6000 Nederlanders in Suriname veilig gesteld. Zie Bron ;
  3. In de uitzending “Bouterse aan de macht” van Andere Tijden uit 2009 verklaart André Haakmat (“superminister” van Bouterse kort na de coup) dat Bouterse nooit de coup zou hebben gepleegd als Valk hem niet daarvoor benaderd had;
  4. In diezelfde uitzending verklaart voormalig Nederlands ambassadeur in Suriname Max Vegelin van Claerbergen dat Valk voorafgaand aan de Februaricoup ondermijnend bezig was en dat hij hem weg wilde sturen, maar dat iemand in Den Haag dat verhinderde;
  5. Enkele maanden na de Februaricoup van 25 februari 1980 werd kolonel Valk overgeplaatst van Suriname naar Brussel. Bij zijn afscheidsreceptie (juni 1980) in Paramaribo zei Desi Bouterse tegen Valk: “Kolonel, nu ga ik iets onthullen wat alleen u en ik weten. Zonder u was deze staatsgreep nooit gelukt”;
  6. Behalve kolonel Valk werd ook Joris Demmink, de Suriname coördinator van Defensie, niet al te lang na de Februaricoup overgeplaatst en wel in 1982 naar het Ministerie van Justitie, waar hij ondanks tal van geruchten over pedofiel gedrag en onverkwikkelijke affaires, tot 2014 een hoge functie vervulde en kennelijk ook een rol speelde bij de vervolging van Wilders. Ook de toenmalige Minister van Defensie Willem Scholten (CDA) kreeg kort na de Februaricoup een andere functie. Er was destijds een CDA/VVD kabinet (kabinet Van Agt I);
  7. In de uitzending van Andere Tijden vertelde inlichtingenofficier Koen Koenders dat een onderzoeksrapport dat hij had opgesteld inzake de mogelijke betrokkenheid van Nederland bij de Februaricoup, op last van Joris Demmink is verdwenen;
  8. Andere dossiers met betrekking tot deze periode zijn door Nederland voor 60 jaar geheim verklaard;
  9. Er is later wel parlementair onderzoek geweest maar omdat de betrokkenen, met name Valk, Demmink en ook Bouterse zelf de kaken stijf op elkaar hielden kwam daar weinig uit voort. De ironie van het lot wil dat ook Desi Bouterse geen belang heeft bij het bekend worden van de waarheid; hij poseert in zijn land immers als antikoloniale vrijheidsheld en niet als agent van Nederland;
  10. Kolonel Valk is enkele jaren geleden overleden. Na zijn openhartige ontboezemingen in VN eind 1982, die hij mogelijk deed omdat hij oprecht geschokt was door de Decembermoorden als indirect gevolg van de Februaricoup, heeft hij daar nooit meer zo open over gesproken.

 

Conclusie

Uiteraard zou het een ongekende schande zijn geweest voor Nederland als in de jaren tachtig of later bekend was geworden dat ons land, na de ook al verkeerd aangepakte en bloedig verlopen dekolonisatie van Indonesië, in haar ex-kolonie Suriname kort na de uitbundig gevierde Onafhankelijkheid van 1975 zélf een coup organiseerde.

Een coup die de prille democratie in dat land onherstelbaar beschadigde en indirect leidde tot dood van 15 prominente intellectuelen waaronder journalisten, advocaten, vakbondsleiders en ook twee militairen. Kortom, het belang bij een doofpot was immens.

Mijn mening is dat deze kwestie tot de bodem moet worden uitgezocht middels een parlementair onderzoek, maar dan een stuk grondiger dan eerdere onderzoeken. Ook vind ik dat alle geheime dossiers van die periode openbaar moeten worden gemaakt.

Een afgeleide vraag (voor Suriname niet relevant, maar wél voor Nederland) luidt: kon Demmink al die jaren zijn goddelijke gang gaan omdat hij te veel wist?

 

 

De oproep van Chaja Polak

De oproep van Chaja Polak

Foto: Amsterdamse Joden op het Daniël Willinkplein (later Victorieplein) in afwachting van deportatie naar kamp Westerbork, 20 juni 1943. Rechts op de rug is een lid van de Duitse Sicherheitspolizei (SiPo) te zien. Foto gemaakt door een NSB sympathisant.

Afgelopen week verscheen in Het Parool een open brief van Chaja Polak aan historicus Ad van Liempt. Deze brief is voor de niet-abonnees van Het Parool op dit moment alleen leesbaar via Blendle. Omdat veel mensen dit medium niet kennen of gebruiken heb ik besloten de tekst van Chaja hieronder te publiceren. Het Parool zal het mij neem ik aan niet euvel duiden.

Polemiek

In de polemiek die rond Van Liempt is ontstaan met voor- en tegenstanders wil ik mij verder niet mengen, bij gebrek aan kennis van zaken. Wel wil ik aangeven dat ik als nazaat van een oeroude Amsterdamse familie – een familie van steenhouwers, timmermannen en later dierenartsen – mij zorgen maak over een aantal ontwikkelingen in de hoofdstad en ook daarbuiten.

Aanslag op de familie Colmans

Ik zag op Twitter onderstaand fragment langskomen, het relaas van vader en zoon Colmans die geïnterviewd werden door Fidan Ekiz voor het programma De Nieuwe Maan. Het is een verbijsterend relaas waaruit blijkt dat op klaarlichte dag op de Albert Cuypmarkt een moordaanslag plaatsvond op een Joods gezin – vader, moeder, zoon en dochter – die alleen door hun eigen felle strijd en uiteindelijk de hulp van enkele omstanders op het nippertje overleefden. De meeste omstanders stonden te filmen en de media hadden aanvankelijk nauwelijks interesse in dit zoveelste “incident”.

Een aanslag die dus weinig aandacht kreeg maar lijkt voort te komen uit religieuze, ideologische en antisemitische motieven. De dader, een geradicaliseerde Egyptenaar, had de familie Colmans al dagen gestalkt waarbij hij voor hun deur in de Koran stond te lezen. Natuurlijk past daarbij de nodige nuancering. De familie Colmans benadrukt zelf dat zij hun overleven mede te danken hebben aan de hulp van o.a. hun Marokkaanse buurman.

Dure plicht

Dit alles verhindert niet dat wij de dure plicht hebben de waarheid onder ogen te zien en alle ideologische of religieuze bronnen van het antisemitisme te benoemen en vervolgens daarnaar te handelen. Vooroorlogse generaties hebben dat nagelaten, waardoor de met bureaucratische perfectie uitgevoerde industriële moord op meer dan zes miljoen mensen mogelijk werd.  Daar waar maatschappelijke rancune en antisemitisme samengaan in één of ander ideologisch en/of religieus hersenspinsel, van wat voor aard dan ook, moeten alle alarmbellen afgaan!

Het antisemitisme is weer bezig aan een opmars. Of het nu uit islamitische kringen komt of uit de oude Europese krochten van antisemitisme en duistere complotgedachten, doet voor mij niet ter zake. Dat het Europese antisemitisme bezig is aan een revival wordt duidelijk als je ziet hoe populair de opvatting is geworden dat 9/11 eigenlijk een Joods complot was. Miljoenen mensen geloven dit en delen kritiekloos de kunstmatig gefabriceerde filmpjes erover op internet. Huiveringwekkend.

Of we het nu hebben over het verleden of over het heden, het gaat altijd over de waarheid onder ogen durven zien en daarna keuzes maken.  Een ieder is verantwoordelijk voor zijn of haar eigen keuze. Niemand kan dit beter uitleggen dan Chaja Polak, wiens vader vermoord is tijdens de Holocaust.

De volledige tekst van het stuk van Chaja staat hieronder.

Het voelde als een dolkstoot in mijn rug toen Van Liempt Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer promootte en daardoor groot maakte, een boek waarin de feiten van de geschiedenis geweld worden aangedaan. Van Liempt is het boegbeeld van WOII. Zijn oordeel van het allergrootste belang. Dat maakt hem verantwoordelijk. Zijn excuus dat boek slechts te hebben gescand, en zijn badinerende reactie op zijn eigen ‘alleen maar wervende zinnetje’:  Ik lees veel familiegeschiedenissen en oorlogsmemoires, maar dit hoge niveau komt zelden voor,’ overtuigden mij niet. Temeer daar hij in zijn speech t.g.v. de presentatie van ‘Oorlogsouders’ aangaf het boek vanaf het begin te hebben gevolgd, en het had over – ik geef slechts één voorbeeld – oorzaak en gevolg van foute keuzes die zo goed beschreven waren. Hoewel juist het gevolg van foute keuzes, de genocide, geheel buiten beeld bleef. Bovendien werden de nazi’s als slachtoffer neergezet en daden van W. van Boetzelaer vergoelijkt. Een voorbeeld van nivellering, zoals historica Evelien Gans het boek heeft genoemd.

In zijn eigen boek ‘Jodenjacht’, schrijft Van Liempt notabene over de misdaden van Van Boetzelaer en Krom, beruchte jodenjagers. Des te opmerkelijker dat bij Van Liempt tijdens het meelezen van Oorlogsouders niet alle alarmbellen afgingen. Toen ik de punten van kritiek van Frits Barend las in zijn met feiten onderbouwde artikel over Van Liempt in Het Parool – kritiek die Van Liempt in het daaronder afgedrukte wederhoor niet weerlegde, en zijn verdedigers evenmin – werd het mij duidelijk. Zijn faux pas stond niet op zichzelf. En had te maken met het verleggen van Van Liempt’s aandacht van slachtoffers naar daders en het afstand doen van termen als goede keuze en foute keuze. Alsof de verklaring en zo je wilt begrip van iemands misdaden een belemmering vormen om die misdaden te veroordelen.

Omdat hij Oorlogsouders promootte, een boek dat een gevaarlijk onjuist beeld geeft van de oorlog, vroeg ik Van Liempt, eerst in een brief, daarna in mijn boek, een open brief te schrijven en recht te zetten wat zo fout is gegaan. Wat ik hem bij deze opnieuw vraag.

Onze dierenartsenpraktijk in de Johannes Verhulststraat

Onze dierenartsenpraktijk in de Johannes Verhulststraat

Het was Theodor Holman die me er via Twitter op attent maakte dat de nog altijd bestaande dierenartsenpraktijk van mijn grootvader dit voorjaar zal verhuizen van de Johannes Verhulststraat naar de Sophialaan, ook gelegen in Amsterdam-Zuid. Waarschijnlijk omdat het huidige pand niet meer voldoet aan de eisen des tijds. Ik lees op de Facebook-pagina van de praktijk – die tegenwoordig Dierenkliniek Vondelpark  heet – iets over te hoge trappen en niet meer sluitende deuren. 

Mijn grootvader is zijn dierenartsenpraktijk in Amsterdam-Zuid – één van de eerste in Nederland die zich helemaal specialiseerde in kleine huisdieren – begonnen op 15 december 1927 aan de Willemsparkweg. In 1930 verhuisde hij naar de Cornelis Schuytstraat en in 1934 betrok hij uiteindelijk het pand aan de Johannes Verhulststraat 115. Daar heeft onze praktijk inmiddels dus 85 jaar gezeten. In de jaren zestig nam mijn vader het over. In de jaren tachtig vertrok mijn vader echter naar Amerika, een oude droom van hem, maar hij kwam na een aantal mooie jaren in the States terug naar Nederland om hoogleraar diergeneeskunde te worden in Utrecht.

De praktijk is sinds mijn vaders vertrek omstreeks 1984 meerdere malen van eigenaar gewisseld en wordt momenteel gerund door een collectief van dierenartsen, allemaal vrouwen. En dan te bedenken dat dierenarts vroeger echt een mannenberoep was! De tijden veranderen. Gelukkig maar. Onlangs trof ik op de website van het Stadsarchief Amsterdam trouwens deze foto: de auto van mijn grootvader in ca. 1937, geparkeerd voor de praktijk in de Johannes Verhulststraat. Vermoedelijk was het een Chevrolet, model 1932. Al uitgerust met de esculaap van de dierenarts!

Johannes Verhulst auto opa.jpg

Onze dierenartsenpraktijk en de oorlog

Het Amsterdam van vóór de oorlog kende zoals bekend een grote Joodse gemeenschap. Dat was al eeuwen zo en hoewel er antisemitisme was en uitsluiting, hadden de Amsterdammers een manier gevonden om met elkaar om te gaan ondanks alle verschillen: humor. Veel van de patiënten van mijn opa waren Joods en ook via het verenigingsleven waarin hij heel actief was, waren er veel contacten met de Joodse gemeenschap. Dat blijkt onder meer uit dit stukje uit het NIW van 1930.

NIW

Aan dat vrolijke joods-christelijke, barokke Amsterdam kwam een ruw einde tijdens de Bezetting. Mijn vader vertelde me ooit dat hij vóór de oorlog doorgaans acht of negen Joodse klasgenoten had; na de oorlog was dat er nog maar één. In het begin van de oorlog zal menigeen gedacht hebben dat het wel los zou lopen. Enigszins exemplarisch in dat kader is de geschiedenis van het boek “Volgende patiënt!” dat mijn grootvader publiceerde bij de (Joodse) uitgever Andries Blitz in november 1940.

Kennelijk was het eind 1940 nog mogelijk voor een Joodse uitgever om een boek uit te brengen. Kort daarna begon de vervolgingsmachine van de nazi’s op gang te komen, met het vreselijke gevolg dat uitgever Andries Blitz al in 1942 in Auschwitz werd vermoord. Zijn vrouw, die niet Joods was, heeft de uitgeverij na de oorlog voortgezet.

Zo zijn er vele droevige verhalen te vertellen van Amsterdamse vriendschappen, liefdes en bedrijvigheid, die bruut verstoord werden door de Holocaust.  Er is ook een tamelijk bizar verhaal over onze dierenartsenpraktijk en de oorlog. Ooit meldde één van de ergste oorlogsmisdadigers van ons land, Ferdinand aus der Fünten (één van de Drie van Breda) zich in de praktijk met zijn zieke hond. Mijn vader, die toen een jaar of tien was, zag in de gang de nazi met mijn grootvader naar de spreekkamer lopen, terwijl mijn oma allerlei fratsen uithaalde met zijn pet.

Laatst heb ik nog in Ondergang van Jacques Presser gelezen hoe deze Aus der Fünten elke middag in bezopen toestand besliste over leven en dood, in de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung aan het Adama van Scheltemaplein. De voor deportatie opgebrachte Joodse burgers moesten daar de hele middag staan op de binnenplaats, terwijl Aus der Fünten de mensen aanwees die mochten blijven en degenen die op transport moesten. Wie om 17 uur nog niet was aangewezen om te blijven, moest ook op transport. Presser en zijn vrouw ontsprongen de dans op het nippertje om tien minuten voor vijf, maar Presser’s vrouw Deborah is later toch opgepakt en omgekomen.

Achteraf denk je, had deze schoft maar afgeschoten. Helaas, mijn grootouders waren gelukkig niet “fout”, maar behoorden ook niet tot de helden van het Verzet. Dus Aus der Fünten kon levend de praktijk verlaten. Door voorzichtig te zijn wisten mijn grootouders te overleven. Opa heeft wel een keer op verzoek van het Verzet een waakhond verdoofd, ik denk bij de overval op een bevolkingsregister.

Het uitstekende Nederlandse bevolkingsregister was een belangrijke troef in handen van de nazi’s en dit is één van de redenen (het zijn er meerdere, waaronder ook de ijverige medewerking van delen van de ambtenarij en politie) waardoor in Nederland zoveel slachtoffers zijn gevallen tijdens de Holocaust. Ik las bij Presser zelfs dat sommige Joodse Nederlanders wisten te overleven door naar Duitsland te vluchten, of all places!

Na de oorlog

Toen de oorlog was afgelopen  werd het normale leven hervat, zo goed en zo kwaad als het ging. Ook onze dierenartsenpraktijk ging het weer voor de wind. Mijn vader ging eind jaren veertig ook diergeneeskunde studeren in Utrecht hoewel hij eerst geopperd schijnt te hebben dat hij ingenieur wilde worden, of huisarts.

opa-2
Mijn opa Dr. J. Gajentaan in de jaren vijftig

Eind jaren vijftig begon mijn vader ook te werken in de praktijk. Toen ik geboren werd in 1959, waren het dus vader & zoon Gajentaan die samen de dierenartsenpraktijk uitoefenden. Wij woonden toen in de Cornelis Schuytstraat en mijn grootouders in de Johannes Verhulststraat op de begane grond, onder de dierenartsenpraktijk op de eerste verdieping. In 1964 verhuisde ons gezin naar de Johannes Verhulststraat en gingen mijn opa en oma wonen in Buitenveldert. Helaas is mijn moeder kort daarna overleden als gevolg van een slopende ziekte, in 1965.

1965 bleek een annus horribilis voor de Gajentaans, want het was ook het jaar waarin mijn opa zijn kont tegen de krib gooide en zijn functie als Voorzitter van het Oranje-Comité neerlegde, omdat hij zich niet kon vinden in de keuze voor Claus von Amsberg als echtgenoot van prinses Beatrix. Geen “oorlogsduitser” als Prins der Nederlanden, vond opa. Hoewel Claus later wel mee bleek te vallen en zich zelfs een groot vriend van Israël toonde, werd opa’s gebaar toch gewaardeerd door de Joodse gemeenschap in Amsterdam. De ochtend nadat hij zijn aftreden in de media bekend maakte, lag de stoep voor onze praktijk in de Johannes Verhulststraat bezaaid met bloemen.

Jeugd

Van 1964 tot 1971 heb ik zelf gewoond in de Johannes Verhulststraat 115. Daarna vond er een verbouwing plaats en werd het hele pand gebruikt als dierenartsenpraktijk. Wij zijn toen gaan wonen in de De Lairessestraat. Ik heb mooie herinneringen aan onze tijd in de Johannes Verhulststraat. Zoals jongens dat doen bewonderde ik mijn vader, de Volvo rijdende dierenarts, enorm.

Soms ging ik kijken bij operaties. De opengesneden buik van de kat of hond, de geur van  ontsmettingsmiddel en de geconcentreerde blik van mijn vader als hij het scalpel hanteerde met grote precisie, staan me nog altijd voor de geest. Omdat de praktijk toen nog op de eerste verdieping was gevestigd, zag ik als kind de patiënten vaak de trap afkomen met hun hond, kat of kanariepiet. Soms in tranen, als ze slecht nieuws hadden gekregen. Maar vaker dolgelukkig.

Jantje b
Schrijver dezes in de tuin van de Johannes Verhulststraat, begin jaren zestig

Afijn, all good things must come to an end. Het pand Johannes Verhulststraat 115 zal worden verbouwd tot een woning. Een dierenartsenpraktijk zal daar niet meer gevestigd zijn, vanaf deze zomer. Dat stemt me toch enigszins nostalgisch.

hondje b

 

 

Bisous, Hélène

Bisous, Hélène

Foto: Grenoble, Isère. Via wiki commons.

Het was in de zomer van 1978, dat ik haar ontmoette. Ik was negentien jaar en Hélène was nog maar zestien. Ik ging een week op vakantie met een vriend uit de Amsterdamse Pijp, waar ik toen woonde. Kamperen aan de Belgische kust.

Mijn vriend – Peter heette hij – beschikte over een stokoude, rode Daf 55. Het licht viel af en toe uit en het gaspedaal bleef soms vastzitten, maar we besloten het erop te wagen. We vertrokken met onze Daf naar Knokke.

Vakantieliefde

De derde dag van onze vakantie zag ik op het strand een Frans meisje liggen, dat ons nieuwsgierig aankeek. Ze had een grote bos blond krulhaar, een mooi gezicht met bruine ogen en een brilletje. Ze had een erotiserend lichaam. Toen ze in het water naar ons toekwam legde ik instinctief een hand om haar middel, maar ze hield het af. Later kwam ze wel bij ons groepje zitten. Ze stelde zich voor als Hélène, kwam uit Grenoble.

De dagen daarna trok ze met ons op, waarbij ik meestal degene was die met haar sprak, omdat ik de enige in ons groepje was die een beetje Frans kon praten. Op een goed moment stond ik met Hélène in de supermarkt achter een schap, toen ze ineens haar borsten tegen mij aandrukte en me een lange tongzoen gaf. Ik vertelde dit op straat aan Peter en twee Haagse nozems die wij ontmoet hadden op de camping, maar geen van allen wilde het geloven.

Die avond op het strand, moesten ze het wel geloven. Hélène en ik liepen hand in hand langs de golven, praatten honderduit in een soort abacadabra Frans (van mijn kant, maar Hélène was een goede leermeesteres) en stonden uren te vrijen. De jaloerse blikken van de anderen deden me goed, terwijl we bier zaten te drinken op een beschut terras in Knokke. Het beviel me wat minder dat bij het afscheid in een discotheek, Hélène ook Peter op zijn mond zoende. De volgende ochtend vertrok ik met Peter in de Daf. We reden probleemloos naar Amsterdam tot net over de Utrechtse brug, waarna ons vehikel het voor eens en voor altijd begaf.

De weken na onze vakantie wachtte ik met spanning op de beloofde brief van Hélène. Ik had er zelf al meerdere geschreven. Ik had net de hoop opgegeven, toen ik een lange brief ontving, met foto’s en al. Hélène had een goede schrijfstijl en was voor haar leeftijd behoorlijk filosofisch onderlegd. Ze gruwde van de monotone en beperkte wereld waarin ze leefde, verlangde naar iets nieuws, naar een teken van hoop. Ik begon direct te sparen voor het treinticket en vertrok in december voor een week naar Grenoble.

Desillusie

Ik sliep ’s nachts in de trein en kwam in de vroege ochtend aan in Grenoble. Ik liep het station uit en zag dat de stad aan alle kanten omgeven was door massieve bergen met besneeuwde toppen. Het zou een symbool zijn van hoe ik me die dagen zou voelen. Ingesloten.

Hélène woonde met haar ouders, broer en twee zussen in een krap appartement aan de Rue de Stalingrad. De vader was een geëmigreerde Belg die zijn baan als docent was kwijtgeraakt, wat verdiende met correctiewerk. Er waren spanningen in het gezin door de financiële problemen. Aan tafel ontstonden verbijsterende ruzies waarbij Hélène vaak de boventoon voerde.

Ze was moeilijk en opstandig en lag in alles dwars. Daarbij keurde ze mij eigenlijk geen blik waardig. We gingen nog naar een feest van een klasgenoot van haar, waarbij ze de hele nacht danste met andere jongens, niet naar mij omkeek. Uit ellende papte ik maar aan met een ander meisje, ene Claudine die me nog een tijdje verliefde brieven zou sturen maar die ik nooit meer terugzag.

Het bezoek was een fiasco. Helemaal niet wat ik me ervan voorgesteld had. Terug in Amsterdam besloot ik Hélène uit mijn hoofd te zetten. Na enkele weken kwamen er toch weer brieven. Ik was de belangrijkste man in Hélène’s leven, haar enige blijvende liefde, maar het was een amour-amitié. Ze was sowieso niet in staat om haar hele leven bij een man te blijven, stelde Hélène. Ze had een erg feministische opstelling. Langzaam begon ik weer in haar ban te raken.

We bleven elkaar ontmoeten, soms in Grenoble, soms in Amsterdam en soms ook halverwege in Parijs bij Henriëtte, een goede vriendin van mij die een relatie had met Jaap, toen mijn beste vriend in Amsterdam.

Ik herinner me dat we in de nacht van 31 december 1979 / 1 januari 1980 met zijn vieren (Henriëtte, Jaap, Hélène en ik) naar een nieuwjaarsfeest gingen in Parijs als “les quatre-vingt”. Een ieder van ons met 20 op het gezicht geschilderd, dus dat was samen 80. Zo vierden we de komst van de jaren tachtig.

Meerdere keren ging ik naar Grenoble, als ik geen geld had dan liftte ik erheen, bleef dan onderweg logeren bij Henriëtte in Parijs. Een keer toen ik geen lift kreeg verstopte me in de trein zonder kaartje, hopend dat de conducteurs me niet zouden ontdekken. Helaas, dat deden ze dus wel.

Ik schreef Hélène vele brieven, vroeg haar telefonisch om duidelijkheid te geven, ging soms weer met haar naar bed. Maar de ontmoetingen liepen altijd weer uit op fiasco’s, op bittere teleurstellingen. Ik wilde iets dat er kennelijk niet was, maar met mijn alles-of-niets houding van krijger in de liefde, kon ik dat niet accepteren. Uiteindelijk braken we met elkaar, ik was zo boos op haar dat ik al haar brieven en foto’s terugstuurde. Kinderachtige actie, denk ik nu.

Het contact weer hersteld

Ergens eind jaren tachtig, kwamen we elkaar toch weer tegen of maakten we het weer goed. Hoe dat is gegaan weet ik niet meer. Hélène kwam naar Amsterdam met haar levenspartner Eric, die dat tot aan haar dood is gebleven. Ik zag als een berg op tegen een ontmoeting met Hélène en Eric, maar op de één of andere vreemde manier voelde het als een bevrijding. De droom die ik jaren ’s nachts had gedroomd waarin ik panisch op zoek was naar Hélène en haar op het nippertje miste, stopte.

We slaagden erin met het klimmen der jaren de dingen maar zo te nemen als ze waren en dat was een vriendschap met misschien nog een vleugje romantiek. Zonder wederzijdse verwachtingen.

scannen0003
Hélène omstreeks 1990

Eric was een aardige, zachtmoedige, beetje alternatieve Fransman. Hij had een hip software bedrijfje gespecialiseerd in spelletjes. Uit de brieven die ik weer van Hélène ontving begreep ik dat ze nog steeds tamelijk vrije opvattingen had in de liefde en dat Eric niet de enige man was in haar leven. Ik had de indruk dat Eric zich daarbij neerlegde, maar dat hij niet zo heel gelukkig was met die situatie.

Ik realiseerde me dat het misschien maar beter was zo, want zelf zou ik in een relatie met Hélène op dit punt niet de inschikkelijkheid hebben gehad die Eric toonde. Dus dat was weer gebotst. Maar op de één of andere manier bleven Hélène en ik elkaar opzoeken. Alsof we een geheime, spirituele band hadden.

Met een vriend bracht ik in 1990 een tegenbezoek bij Hélène en Eric in Grenoble. Ik liep weer door de stad omringd door de bergen, waar ik in 1979 stuk was gelopen op mijn eigen blinde verliefdheid. Dit keer voelde ik me vrijer en bezocht wat kroegjes, die ik me nog herinnerde. Hélène liet ons het uitzicht zien van bovenaan over Grenoble, bij de kabelbaan.

Helene nieuw
Hélène en schrijver dezes in Grenoble

Laatste decennia: uit het zicht, maar niet uit het hart

Daarna hebben we elkaar nooit meer gezien. Toch bleven Hélène en ik elkaar schrijven. De genegenheid van Hélène voor mij was langzamerhand een zekerheid geworden. Ik wist wel dat het nu eenmaal was zoals het was: een vriendschap op grote afstand, maar op een bepaalde manier kon ik toch op haar rekenen. En zij op mij.

In lange brieven, die van tijd tot tijd binnenkwamen en met nog altijd met een filosofische ondertoon, deelde Hélène haar wel en wee. Hélène had eerst gewerkt bij een reclamebureau en kreeg later een baan op de marketing afdeling van GEG (Gaz Electricité de Grenoble), de energiemaatschappij van Grenoble. Ze had nog altijd een vrij progressieve levenshouding. Bij GEG kreeg ze de kans ook sociale projecten op te starten om mensen met financiële problemen te helpen, als responsable des actions Précarité Énergie. Zie hieronder.

Schermafdruk 2018-11-17 19.57.33

Met haar levenspartner ging het wat minder, schreef Hélène. Zijn bedrijf was gestopt wegens gebrek aan resultaten en hij kon niet zijn draai vinden in een vaste baan. Samen hadden ze een dochter gekregen, Lilas, waarbij Eric een deel van de opvang voor zijn rekening nam en Hélène kostwinnaar werd. Dit in combinatie met het gegeven dat het slecht ging met haar ouders en haar zus (vanwege psychische problemen) baarde haar veel zorgen, schreef Hélène.

In de afgelopen jaren bleven we incidenteel contact houden en hadden we steeds plannen om elkaar te ontmoeten. Zij zou met haar dochter naar Nederland komen voor een vakantie, maar ik geloof dat het om financiële redenen net niet lukte. Later nodigde zij ons uit om in Frankrijk de zomervakantie met onze beide gezinnen door te brengen in een huis van kennissen, maar dit keer was het voor mij als (inmiddels) ZZP’er die toen net worstelde met de gevolgen van de eurocrisis, financieel niet haalbaar.

Zo heeft dat stomme geld ook nog in de weg gestaan van een nieuwe ontmoeting.

Een jaar of twee geleden meldde Hélène bij mij dat ze ernstig ziek was, een kwaadaardige tumor in de alvleesklier. Ze ging vol de strijd aan met hulp van de artsen, maar ook met allerlei diëten die goed pasten bij haar progressieve levenshouding. Ze vormde een support group van vrienden in haar omgeving. Maar geleidelijk werd het stiller.

Ik wist zelf ook niet goed wat ik ermee aan moest. Wilde iets doen om haar te helpen, maar wist niet wat. Op haar laatste verjaardag, 30 november 2017, stuurde ik haar weer een bericht. Gefeliciteerd, red je het nog? Is het ergste al achter de rug? Drie dagen later mailde Hélène terug, dat ze me wilde bellen. Het bericht luidde:

Salut Jan, je vais essayer de te téléphoner tout à l’heure. Es-tu disponible?

Bisous

Hélène

Bisous, Hélène. Zo eindigden de brieven ook waarop ik veertig jaar geleden in mijn verliefdheid met smart zat te wachten, tot de postbode ze bezorgde. Ik mailde terug dat ze dat gerust kon doen op ieder gewenst tijdstip, met mijn telefoonnummers, die ze ook al had van mijn mail footer. Zelf had ik het telefoon nummer niet van Hélène na een recente verhuizing, omdat we inmiddels mailden in plaats van schreven.

Alsof het lot dat ons toch al niet zo gunstig gezind was geweest ons nog één keer wilde tarten, kreeg ik mijn mails ineens terug met een systeemmelding dat ze niet afgeleverd konden worden. Misschien zat haar mailbox vol.

Aangezien Hélène mijn nummer wel had, maar ik het hare niet, leek het me raadzaam te wachten. Maar het telefoontje kwam niet. Ik zat er een paar dagen over te piekeren. Begin januari dit jaar probeerde ik het nog een keer, maar de mail functioneerde nog steeds niet. Ik dacht, laat ik maar even afwachten. Ze heeft mijn nummer. Als ze zover is, belt of mailt ze wel weer.

Zo was het immers altijd geweest tussen ons. Ik kon maanden, soms jaren niets van haar horen, maar vroeg of laat kwam die brief weer met vier of vijf vol geschreven velletjes. Ik drukte mijn gedachten en gevoelens hierover naar de achtergrond. Maar het voelde niet goed. De hele tijd niet. En het bleef stil.

Afgelopen week twitterde ik iets over Hélène en vroeger – ik twitter nu eenmaal van alles en nog wat – maar ineens greep ik mezelf bij de kraag. Zit je nu te twitteren en je weet niet eens hoe het met haar gaat! – sprak ik mezelf streng toe. Dus stuurde ik weer een mail naar Hélène. Hoe gaat het? Red je het nog?

Dit keer kwam de mail wel aan en er kwam zelfs een rap antwoord van haar mail account, niet van Hélène, maar van Eric, haar levenspartner.
Hélène is al op 13 januari 2018 overleden nadat haar ziekte uitzichtloos was geworden en alle behandelingen hadden gefaald, schrijft Eric. Hij excuseert zich dat hij het niet eerder gemeld had, maar was begrijpelijkerwijs gedompeld in verdriet en stelde de zorg voor hun dochter op de eerste plaats.

Ik denk nu, dat Hélène mij nog wilde bellen in december, om afscheid te nemen. Heeft ze het niet gedaan omdat ze mijn antwoord op haar vraag of ik beschikbaar was, niet meer heeft ontvangen? Of ontbrak het haar aan de moed om zo’n telefoontje te plegen? Of misschien was ze gewoon te ziek en in beslag genomen door de zorg voor haar naasten? Of dit alles tegelijk.

Het maakt eigenlijk niet uit en ik heb er vrede mee. In ieder geval wist Hélène, een paar weken voordat ze is overleden, dat ik had gedacht aan haar verjaardag, ook al hadden wij elkaar al achttien jaar niet meer gezien. En ik weet dat zij aan mij dacht en me nog wilde bellen. Dat is toch al mooi. Hoeveel ex-geliefden doen elkaar niet in de ban, of zijn elkaar na een poosje straal vergeten?

Als-dan-redeneringen hebben zo weinig zin. Als de crisis na 2008 niet zo had toegeslagen, dan hadden we die gedroomde vakanties kunnen plannen en elkaars kinderen beter leren kennen. Als de mail niet ineens was vastgelopen, dan had ze mij misschien nog gebeld. Of als ik het gevoel niet weggedrukt had en zelf haar telefoonnummer had uitgezocht, had ik dat ook zelf kunnen doen.

Maar goed. Het is zoals het is.

Hélène stuurde in 2009 babykleertjes toen onze jongste dochter was geboren, schoot me vandaag  te binnen. Nee, Hélène was niet altijd de makkelijkste, maar ze was een mooi, een bijzonder en een lief mens.

Salut, Hélène. Bisous.

 

 

 

 

 

 

Het treurlied van de PvdA-burgemeesters

Het treurlied van de PvdA-burgemeesters

Sinds WO2 worden onze grote steden overwegend bestuurd door burgemeesters van de PvdA. Doorgaans waren dat solide bestuurders die veel deden voor “de gewone man”, realistisch omgingen met de belangen van het bedrijfsleven en oog hadden voor traditie en volksvermaak. Tegenwoordig worden zij door velen gezien als arrogante vertegenwoordigers van het partijkartel. Bij het laten verdwijnen van de traditionele Zwarte Piet, speelden verschillende PvdA-burgemeesters achter de schermen een cruciale rol. Hoe kon het zover komen?

Voor de oorlog was Nederland een conservatief-liberaal bestuurd land. De collectieve uitgaven bedroegen minder dan 30% van het BBP en dat geld ging nog grotendeels naar politie en defensie, hoewel onze vloot en leger er veel te zwak voorstonden aan het begin van WO2. Verder was er geld voor onderwijs, infrastructuur, sociale woningbouw en sociale instellingen, maar veel was het niet.

Bij een bloeiende economie was dit beleid nog houdbaar, maar toen er sprake was van een langdurige economische crisis in de jaren dertig sprongen in verschillende landen fascisten en nationaal-socialisten in het gat. Hoewel men tot op de dag van vandaag alles uit de kast haalt om deze bewegingen te framen als “rechts”, waren ze sociaal-economisch gesproken eerder links. Dat verklaart ook grotendeels hun aantrekkingskracht voor de massa. In Nederland werden gedurende de Bezetting onder andere het Ziekenfonds, het Ontslagrecht en de Kinderbijslag ingevoerd.

De PvdA na de oorlog

Natuurlijk werd hierover tijdens de oorlog al nagedacht door de Nederlandse elite en het koningshuis. Na de oorlog zou er meer ruimte gemaakt worden voor de sociaal-democratie, om zodoende een Verelendung van de massa – met als mogelijk gevolg een nieuwe vorm van extremisme – te voorkomen. Op landelijk niveau werd dit beleid doorgevoerd door de bekende vadertje Drees van de PvdA, onze premier van 1948 tot 1958. Tevens de grondlegger van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid.

In Amsterdam was burgemeester Arnold Jan d’Ailly (PvdA, burgemeester van 1946 tot 1956) typisch iemand die opereerde op het snijvlak van elite, sociaal-democratie en koningshuis. Hoewel afkomstig uit de bankierswereld – hij speelde op het einde van de oorlog nog een kleine rol in de illegale financiering van het verzet naast de broers Walraven en Gijs van Hall en Iman van de Bosch – wist d’Ailly ook de taal te spreken van de gewone man en vrouw. Zijn contact met het koningshuis was uitstekend. Overigens zou d’Ailly in 1956 opgevolgd worden door diezelfde Gijs van Hall, als burgemeester wat minder geslaagd en eveneens “bankier van het verzet”.

burgemeester 1
Burgemeester d’Ailly schudt de Sint (mijn opa) de hand in 1954

Dit contact van d’Ailly met het koningshuis zou van pas komen bij de organisatie van jaarlijkse grote Sinterklaasintocht in Amsterdam, die toen nog de facto de landelijke intocht was en vanaf 1952 tot 1963 ook de televisieintocht. Van 1952 tot en met 1954 zouden koningin Juliana en prinsesjes Marijke en Margriet aanwezig zijn bij de intocht van de goedheiligman.

In het Nederland van de Wederopbouw, waar de mensen het niet breed hadden, was deze Sinterklaasintocht met warme koestering van de onschuld van het kind en het gezin, ondersteund door het koningshuis als nationaal symbool, een groot succes. Waar het toeschouwersaantal in 1950 nog zo’n 250.000 mensen bedroeg, steeg dit al snel tot zo’n 750.000 in 1953 en 1954 en zelfs 800.000 in 1955.

 

De PvdA-burgemeester anno nu

Flashforward
naar 2018. Er is weinig over van die PvdA van na de oorlog die er was voor de gewone mensen en waarvan de bestuurders – ook al waren ze soms regentesk –garant stonden voor sociale zekerheid en het ouderwetse socialistische streven naar verheffing van het volk, of de emancipatie van de vrouw. Kennelijk beschouwden zij ergens in de jaren zeventig en tachtig die taak als voltooid. De arbeider werd vervangen door een nieuw slachtoffer waarop een zieligheidsindustrie gebouwd kon worden: de immigrant.

Zo kon er een politieke cultuur groeien waarbij de PvdA-elite zich totaal vervreemdde van de eigen achterban en steeds meer een dubieuze rol ging spelen in het faciliteren van de veelal allochtone achterban. Toen de PvdA erachter kwam dat ze daarin doorgeschoten waren, stapten zoals bekend Oztürk en Kuzu uit de PvdA kamerfractie en richtten DENK op, nu goed voor zeven virtuele zetels.

Ondanks tal van rapporten en studies, opgesteld door grijze muizen als Ad Melkert, is de PvdA er nog steeds niet in geslaagd met een aansprekende koers of richting te komen. De reflex van hun bestuurders is sinds de jaren 70/80 nog steeds dezelfde: de allochtone achterban moet behaagd worden, het multiculturele ideaal koste wat kost uitgedragen, de oorspronkelijke achterban is vergeten.

De Sinterklaasintocht en de PvdA

Het is ironisch dat de bonte intocht van Sinterklaas, die in de jaren vijftig zo groot werd mede dankzij PvdA-burgemeester Arnold Jan d’Ailly, door een aantal PvdA burgemeesters in de tang is genomen als waren zij presidenten van een Sovjet-republiek.

Zo bleek uit een onthullende open brief uit 2014 van de twee “hoofdpieten” tevens organisatoren van de Amsterdamse intocht, Frans van Konijnenburg en Bram Graafland, dat zij in de achterkamertjes door wijlen burgemeester Eberhard van der Laan snoeihard voor de keuze werden gesteld: of van alle Zwarte Pieten kleurloze en herkenbare veegpieten maken, of vertrekken.

Frans en Bram besloten te vertrekken. Niet eens zozeer omdat zij per se de Zwarte Piet in zijn huidige vorm willen behouden, maar omdat zij het Sinterklaasfeest zien als een magisch sprookje dat nu door bemoeienis van fantasieloze PvdA-bureaucraten kapot wordt gemaakt.

In Rotterdam was het niet veel beter. Ook PvdA-burgemeester Aboutaleb opereerde hypocriet achter de schermen. Zogenaamd bemoeide hij zich niet met de inhoud van de intocht, maar door op slimme wijze een radicale actievoerder naar voren te schuiven is het ook met de Rotterdamse Zwarte Piet binnenkort gedaan, zoals het AD onthulde in deze reconstructie: En plots was er een pietenakkoord. Dat ruim tweederde van de Nederlanders daar totaal anders over denkt, boeit deze PvdA-regenten niet. Daarmee tonen zij wel aan hoezeer zij vervreemd zijn van hun achterban.

PvdA-burgemeester Marga Waanders bakt ze het bruinst

Van alle PvdA-burgemeesters bakte de burgemeester van Dongeradeel, Marga Waanders, ze wel het bruinst. Naar nu blijkt naar aanleiding van de rechtszaak tegen Friese heldin Jenny Douwes en de #blokkeerfriezen, was Waanders voor de intocht in 2017 maandenlang in de weer om zowel de linksradicale agressieve Kick Out Zwarte Piet beweging als de rechtsextreme NVU bij de intocht te laten demonstreren. In het zicht van de kleine kinderen en hun ouders!

Of bij het contact van burgemeester Waanders met de NVU het initiatief van de burgemeester kwam of van NVU, weet ik niet. Maar het lijkt er toch wel sterk op dat hier sprake was van een regentesk PvdA-opzetje: door een optreden van de neonazi’s van NVU zou de sympathie van de bevolking uitgaan naar de antipieten, waarna de PvdA’ers in openbaar bestuur en bij de media de door hen gewenste verandering verder door kunnen voeren: de traditionele Zwarte Piet moet wijken, voor iets met roetveegjes.

De grote vraag is nu of burgemeester Waanders met dit opzetje zich niet min of meer schuldig heeft gemaakt aan uitlokking. Want hoe haal je het in vredesnaam in je hoofd: rechtsextremisten én linksextremisten een prominente plaats gunnen bij de intocht van Sinterklaas, het mooiste kinderfeest van de wereld.

De Amsterdamse burgemeester van 1954, Arnold Jan d’Ailly, wist het beter: hij gunde die prominente plaats aan onze koningin en aan de eerste Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Trygve Lie. Dat was een andere tijd, met een andere PvdA en trouwens ook een heel andere VN. Wat een treurlied.

p.s. naschrift d.d. 9/10/2018

Uit nader onderzoek van de journalist Wierd Duk, die zowel burgemeester Waanders als NVU-leider Kusters heeft gesproken, blijkt dat burgemeester Waanders wel alle mogelijke moeite heeft gedaan om de radicale Kick Out Zwarte Piet beweging te accommoderen, maar met de NVU alleen oriënterende gesprekken voerde. Die nuance moeten we dus aanbrengen.

Blijft zeer merkwaardig dat de intocht organiserende burgemeester per se de linksextremisten van Kick Out Zwarte Piet erbij wilde hebben en daarnaast meermaals persoonlijk belde met de rechtsextremisten van NVU.