10 feiten over Joris Demmink en de Februaricoup in Suriname

10 feiten over Joris Demmink en de Februaricoup in Suriname

Foto: Joris Demmink (links) en Hans Valk (rechts) in de jaren tachtig

Nu de naam Joris Demmink ook genoemd wordt in de rechtszaak tegen de politicus Geert Wilders, hij zou op het Ministerie van Justitie overleg hebben gehad met minister Opstelten hierover, moest ik denken aan eerdere ophef inzake Demmink. Dan denk ik niet zozeer aan de pedo affaires waarin de inmiddels gepensioneerde Demmink genoemd wordt – daarvan weet ik te weinig om er iets zinnigs over te kunnen zeggen – maar wel aan de Februaricoup van 1980 in Suriname.

Nog even de feiten op een rijtje:

  1. Joris Demmink was in 1980 de Suriname coördinator op het Ministerie van Defensie in Den Haag en had in die rol regelmatig overleg met kolonel Hans Valk, hoofd van de Nederlandse Militaire Missie in Suriname. Valk viel hiërarchisch onder de Nederlandse ambassade in Suriname;
  2. Kolonel Valk verklaarde later (eind 1982) tegenover de journalisten Gerard van Westerloo en Elma Verhey van het blad VN dat de Februaricoup nooit had kunnen slagen zonder zijn technische assistentie. Volgens Valk was daarmee veel bloedvergieten voorkomen en had hij de belangen van de ca. 6000 Nederlanders in Suriname veilig gesteld. Zie Bron ;
  3. In de uitzending “Bouterse aan de macht” van Andere Tijden uit 2009 verklaart André Haakmat (“superminister” van Bouterse kort na de coup) dat Bouterse nooit de coup zou hebben gepleegd als Valk hem niet daarvoor benaderd had;
  4. In diezelfde uitzending verklaart voormalig Nederlands ambassadeur in Suriname Max Vegelin van Claerbergen dat Valk voorafgaand aan de Februaricoup ondermijnend bezig was en dat hij hem weg wilde sturen, maar dat iemand in Den Haag dat verhinderde;
  5. Enkele maanden na de Februaricoup van 25 februari 1980 werd kolonel Valk overgeplaatst van Suriname naar Brussel. Bij zijn afscheidsreceptie (juni 1980) in Paramaribo zei Desi Bouterse tegen Valk: “Kolonel, nu ga ik iets onthullen wat alleen u en ik weten. Zonder u was deze staatsgreep nooit gelukt”;
  6. Behalve kolonel Valk werd ook Joris Demmink, de Suriname coördinator van Defensie, niet al te lang na de Februaricoup overgeplaatst en wel in 1982 naar het Ministerie van Justitie, waar hij ondanks tal van geruchten over pedofiel gedrag en onverkwikkelijke affaires, tot 2014 een hoge functie vervulde en kennelijk ook een rol speelde bij de vervolging van Wilders. Ook de toenmalige Minister van Defensie Willem Scholten (CDA) kreeg kort na de Februaricoup een andere functie. Er was destijds een CDA/VVD kabinet (kabinet Van Agt I);
  7. In de uitzending van Andere Tijden vertelde inlichtingenofficier Koen Koenders dat een onderzoeksrapport dat hij had opgesteld inzake de mogelijke betrokkenheid van Nederland bij de Februaricoup, op last van Joris Demmink is verdwenen;
  8. Andere dossiers met betrekking tot deze periode zijn door Nederland voor 60 jaar geheim verklaard;
  9. Er is later wel parlementair onderzoek geweest maar omdat de betrokkenen, met name Valk, Demmink en ook Bouterse zelf de kaken stijf op elkaar hielden kwam daar weinig uit voort. De ironie van het lot wil dat ook Desi Bouterse geen belang heeft bij het bekend worden van de waarheid; hij poseert in zijn land immers als antikoloniale vrijheidsheld en niet als agent van Nederland;
  10. Kolonel Valk is enkele jaren geleden overleden. Na zijn openhartige ontboezemingen in VN eind 1982, die hij mogelijk deed omdat hij oprecht geschokt was door de Decembermoorden als indirect gevolg van de Februaricoup, heeft hij daar nooit meer zo open over gesproken.

 

Conclusie

Uiteraard zou het een ongekende schande zijn geweest voor Nederland als in de jaren tachtig of later bekend was geworden dat ons land, na de ook al verkeerd aangepakte en bloedig verlopen dekolonisatie van Indonesië, in haar ex-kolonie Suriname kort na de uitbundig gevierde Onafhankelijkheid van 1975 zélf een coup organiseerde.

Een coup die de prille democratie in dat land onherstelbaar beschadigde en indirect leidde tot dood van 15 prominente intellectuelen waaronder journalisten, advocaten, vakbondsleiders en ook twee militairen. Kortom, het belang bij een doofpot was immens.

Mijn mening is dat deze kwestie tot de bodem moet worden uitgezocht middels een parlementair onderzoek, maar dan een stuk grondiger dan eerdere onderzoeken. Ook vind ik dat alle geheime dossiers van die periode openbaar moeten worden gemaakt.

Een afgeleide vraag (voor Suriname niet relevant, maar wél voor Nederland) luidt: kon Demmink al die jaren zijn goddelijke gang gaan omdat hij te veel wist?

 

 

Advertenties

De oproep van Chaja Polak

De oproep van Chaja Polak

Foto: Amsterdamse Joden op het Daniël Willinkplein (later Victorieplein) in afwachting van deportatie naar kamp Westerbork, 20 juni 1943. Rechts op de rug is een lid van de Duitse Sicherheitspolizei (SiPo) te zien. Foto gemaakt door een NSB sympathisant.

Afgelopen week verscheen in Het Parool een open brief van Chaja Polak aan historicus Ad van Liempt. Deze brief is voor de niet-abonnees van Het Parool op dit moment alleen leesbaar via Blendle. Omdat veel mensen dit medium niet kennen of gebruiken heb ik besloten de tekst van Chaja hieronder te publiceren. Het Parool zal het mij neem ik aan niet euvel duiden.

Polemiek

In de polemiek die rond Van Liempt is ontstaan met voor- en tegenstanders wil ik mij verder niet mengen, bij gebrek aan kennis van zaken. Wel wil ik aangeven dat ik als nazaat van een oeroude Amsterdamse familie – een familie van steenhouwers, timmermannen en later dierenartsen – mij zorgen maak over een aantal ontwikkelingen in de hoofdstad en ook daarbuiten.

Aanslag op de familie Colmans

Ik zag op Twitter onderstaand fragment langskomen, het relaas van vader en zoon Colmans die geïnterviewd werden door Fidan Ekiz voor het programma De Nieuwe Maan. Het is een verbijsterend relaas waaruit blijkt dat op klaarlichte dag op de Albert Cuypmarkt een moordaanslag plaatsvond op een Joods gezin – vader, moeder, zoon en dochter – die alleen door hun eigen felle strijd en uiteindelijk de hulp van enkele omstanders op het nippertje overleefden. De meeste omstanders stonden te filmen en de media hadden aanvankelijk nauwelijks interesse in dit zoveelste “incident”.

Een aanslag die dus weinig aandacht kreeg maar lijkt voort te komen uit religieuze, ideologische en antisemitische motieven. De dader, een geradicaliseerde Egyptenaar, had de familie Colmans al dagen gestalkt waarbij hij voor hun deur in de Koran stond te lezen. Natuurlijk past daarbij de nodige nuancering. De familie Colmans benadrukt zelf dat zij hun overleven mede te danken hebben aan de hulp van o.a. hun Marokkaanse buurman.

Dure plicht

Dit alles verhindert niet dat wij de dure plicht hebben de waarheid onder ogen te zien en alle ideologische of religieuze bronnen van het antisemitisme te benoemen en vervolgens daarnaar te handelen. Vooroorlogse generaties hebben dat nagelaten, waardoor de met bureaucratische perfectie uitgevoerde industriële moord op meer dan zes miljoen mensen mogelijk werd.  Daar waar maatschappelijke rancune en antisemitisme samengaan in één of ander ideologisch en/of religieus hersenspinsel, van wat voor aard dan ook, moeten alle alarmbellen afgaan!

Het antisemitisme is weer bezig aan een opmars. Of het nu uit islamitische kringen komt of uit de oude Europese krochten van antisemitisme en duistere complotgedachten, doet voor mij niet ter zake. Dat het Europese antisemitisme bezig is aan een revival wordt duidelijk als je ziet hoe populair de opvatting is geworden dat 9/11 eigenlijk een Joods complot was. Miljoenen mensen geloven dit en delen kritiekloos de kunstmatig gefabriceerde filmpjes erover op internet. Huiveringwekkend.

Of we het nu hebben over het verleden of over het heden, het gaat altijd over de waarheid onder ogen durven zien en daarna keuzes maken.  Een ieder is verantwoordelijk voor zijn of haar eigen keuze. Niemand kan dit beter uitleggen dan Chaja Polak, wiens vader vermoord is tijdens de Holocaust.

De volledige tekst van het stuk van Chaja staat hieronder.

Het voelde als een dolkstoot in mijn rug toen Van Liempt Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer promootte en daardoor groot maakte, een boek waarin de feiten van de geschiedenis geweld worden aangedaan. Van Liempt is het boegbeeld van WOII. Zijn oordeel van het allergrootste belang. Dat maakt hem verantwoordelijk. Zijn excuus dat boek slechts te hebben gescand, en zijn badinerende reactie op zijn eigen ‘alleen maar wervende zinnetje’:  Ik lees veel familiegeschiedenissen en oorlogsmemoires, maar dit hoge niveau komt zelden voor,’ overtuigden mij niet. Temeer daar hij in zijn speech t.g.v. de presentatie van ‘Oorlogsouders’ aangaf het boek vanaf het begin te hebben gevolgd, en het had over – ik geef slechts één voorbeeld – oorzaak en gevolg van foute keuzes die zo goed beschreven waren. Hoewel juist het gevolg van foute keuzes, de genocide, geheel buiten beeld bleef. Bovendien werden de nazi’s als slachtoffer neergezet en daden van W. van Boetzelaer vergoelijkt. Een voorbeeld van nivellering, zoals historica Evelien Gans het boek heeft genoemd.

In zijn eigen boek ‘Jodenjacht’, schrijft Van Liempt notabene over de misdaden van Van Boetzelaer en Krom, beruchte jodenjagers. Des te opmerkelijker dat bij Van Liempt tijdens het meelezen van Oorlogsouders niet alle alarmbellen afgingen. Toen ik de punten van kritiek van Frits Barend las in zijn met feiten onderbouwde artikel over Van Liempt in Het Parool – kritiek die Van Liempt in het daaronder afgedrukte wederhoor niet weerlegde, en zijn verdedigers evenmin – werd het mij duidelijk. Zijn faux pas stond niet op zichzelf. En had te maken met het verleggen van Van Liempt’s aandacht van slachtoffers naar daders en het afstand doen van termen als goede keuze en foute keuze. Alsof de verklaring en zo je wilt begrip van iemands misdaden een belemmering vormen om die misdaden te veroordelen.

Omdat hij Oorlogsouders promootte, een boek dat een gevaarlijk onjuist beeld geeft van de oorlog, vroeg ik Van Liempt, eerst in een brief, daarna in mijn boek, een open brief te schrijven en recht te zetten wat zo fout is gegaan. Wat ik hem bij deze opnieuw vraag.

Onze dierenartsenpraktijk in de Johannes Verhulststraat

Onze dierenartsenpraktijk in de Johannes Verhulststraat

Het was Theodor Holman die me er via Twitter op attent maakte dat de nog altijd bestaande dierenartsenpraktijk van mijn grootvader dit voorjaar zal verhuizen van de Johannes Verhulststraat naar de Sophialaan, ook gelegen in Amsterdam-Zuid. Waarschijnlijk omdat het huidige pand niet meer voldoet aan de eisen des tijds. Ik lees op de Facebook-pagina van de praktijk – die tegenwoordig Dierenkliniek Vondelpark  heet – iets over te hoge trappen en niet meer sluitende deuren. 

Mijn grootvader is zijn dierenartsenpraktijk in Amsterdam-Zuid – één van de eerste in Nederland die zich helemaal specialiseerde in kleine huisdieren – begonnen op 15 december 1927 aan de Willemsparkweg. In 1930 verhuisde hij naar de Cornelis Schuytstraat en in 1934 betrok hij uiteindelijk het pand aan de Johannes Verhulststraat 115. Daar heeft onze praktijk inmiddels dus 85 jaar gezeten. In de jaren zestig nam mijn vader het over. In de jaren tachtig vertrok mijn vader echter naar Amerika, een oude droom van hem, maar hij kwam na een aantal mooie jaren in the States terug naar Nederland om hoogleraar diergeneeskunde te worden in Utrecht.

De praktijk is sinds mijn vaders vertrek omstreeks 1984 meerdere malen van eigenaar gewisseld en wordt momenteel gerund door een collectief van dierenartsen, allemaal vrouwen. En dan te bedenken dat dierenarts vroeger echt een mannenberoep was! De tijden veranderen. Gelukkig maar. Onlangs trof ik op de website van het Stadsarchief Amsterdam trouwens deze foto: de auto van mijn grootvader in ca. 1937, geparkeerd voor de praktijk in de Johannes Verhulststraat. Vermoedelijk was het een Chevrolet, model 1932. Al uitgerust met de esculaap van de dierenarts!

Johannes Verhulst auto opa.jpg

Onze dierenartsenpraktijk en de oorlog

Het Amsterdam van vóór de oorlog kende zoals bekend een grote Joodse gemeenschap. Dat was al eeuwen zo en hoewel er antisemitisme was en uitsluiting, hadden de Amsterdammers een manier gevonden om met elkaar om te gaan ondanks alle verschillen: humor. Veel van de patiënten van mijn opa waren Joods en ook via het verenigingsleven waarin hij heel actief was, waren er veel contacten met de Joodse gemeenschap. Dat blijkt onder meer uit dit stukje uit het NIW van 1930.

NIW

Aan dat vrolijke joods-christelijke, barokke Amsterdam kwam een ruw einde tijdens de Bezetting. Mijn vader vertelde me ooit dat hij vóór de oorlog doorgaans acht of negen Joodse klasgenoten had; na de oorlog was dat er nog maar één. In het begin van de oorlog zal menigeen gedacht hebben dat het wel los zou lopen. Enigszins exemplarisch in dat kader is de geschiedenis van het boek “Volgende patiënt!” dat mijn grootvader publiceerde bij de (Joodse) uitgever Andries Blitz in november 1940.

Kennelijk was het eind 1940 nog mogelijk voor een Joodse uitgever om een boek uit te brengen. Kort daarna begon de vervolgingsmachine van de nazi’s op gang te komen, met het vreselijke gevolg dat uitgever Andries Blitz al in 1942 in Auschwitz werd vermoord. Zijn vrouw, die niet Joods was, heeft de uitgeverij na de oorlog voortgezet.

Zo zijn er vele droevige verhalen te vertellen van Amsterdamse vriendschappen, liefdes en bedrijvigheid, die bruut verstoord werden door de Holocaust.  Er is ook een tamelijk bizar verhaal over onze dierenartsenpraktijk en de oorlog. Ooit meldde één van de ergste oorlogsmisdadigers van ons land, Ferdinand aus der Fünten (één van de Drie van Breda) zich in de praktijk met zijn zieke hond. Mijn vader, die toen een jaar of tien was, zag in de gang de nazi met mijn grootvader naar de spreekkamer lopen, terwijl mijn oma allerlei fratsen uithaalde met zijn pet.

Laatst heb ik nog in Ondergang van Jacques Presser gelezen hoe deze Aus der Fünten elke middag in bezopen toestand besliste over leven en dood, in de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung aan het Adama van Scheltemaplein. De voor deportatie opgebrachte Joodse burgers moesten daar de hele middag staan op de binnenplaats, terwijl Aus der Fünten de mensen aanwees die mochten blijven en degenen die op transport moesten. Wie om 17 uur nog niet was aangewezen om te blijven, moest ook op transport. Presser en zijn vrouw ontsprongen de dans op het nippertje om tien minuten voor vijf, maar Presser’s vrouw Deborah is later toch opgepakt en omgekomen.

Achteraf denk je, had deze schoft maar afgeschoten. Helaas, mijn grootouders waren gelukkig niet “fout”, maar behoorden ook niet tot de helden van het Verzet. Dus Aus der Fünten kon levend de praktijk verlaten. Door voorzichtig te zijn wisten mijn grootouders te overleven. Opa heeft wel een keer op verzoek van het Verzet een waakhond verdoofd, ik denk bij de overval op een bevolkingsregister.

Het uitstekende Nederlandse bevolkingsregister was een belangrijke troef in handen van de nazi’s en dit is één van de redenen (het zijn er meerdere, waaronder ook de ijverige medewerking van delen van de ambtenarij en politie) waardoor in Nederland zoveel slachtoffers zijn gevallen tijdens de Holocaust. Ik las bij Presser zelfs dat sommige Joodse Nederlanders wisten te overleven door naar Duitsland te vluchten, of all places!

Na de oorlog

Toen de oorlog was afgelopen  werd het normale leven hervat, zo goed en zo kwaad als het ging. Ook onze dierenartsenpraktijk ging het weer voor de wind. Mijn vader ging eind jaren veertig ook diergeneeskunde studeren in Utrecht hoewel hij eerst geopperd schijnt te hebben dat hij ingenieur wilde worden, of huisarts.

opa-2
Mijn opa Dr. J. Gajentaan in de jaren vijftig

Eind jaren vijftig begon mijn vader ook te werken in de praktijk. Toen ik geboren werd in 1959, waren het dus vader & zoon Gajentaan die samen de dierenartsenpraktijk uitoefenden. Wij woonden toen in de Cornelis Schuytstraat en mijn grootouders in de Johannes Verhulststraat op de begane grond, onder de dierenartsenpraktijk op de eerste verdieping. In 1964 verhuisde ons gezin naar de Johannes Verhulststraat en gingen mijn opa en oma wonen in Buitenveldert. Helaas is mijn moeder kort daarna overleden als gevolg van een slopende ziekte, in 1965.

1965 bleek een annus horribilis voor de Gajentaans, want het was ook het jaar waarin mijn opa zijn kont tegen de krib gooide en zijn functie als Voorzitter van het Oranje-Comité neerlegde, omdat hij zich niet kon vinden in de keuze voor Claus von Amsberg als echtgenoot van prinses Beatrix. Geen “oorlogsduitser” als Prins der Nederlanden, vond opa. Hoewel Claus later wel mee bleek te vallen en zich zelfs een groot vriend van Israël toonde, werd opa’s gebaar toch gewaardeerd door de Joodse gemeenschap in Amsterdam. De ochtend nadat hij zijn aftreden in de media bekend maakte, lag de stoep voor onze praktijk in de Johannes Verhulststraat bezaaid met bloemen.

Jeugd

Van 1964 tot 1971 heb ik zelf gewoond in de Johannes Verhulststraat 115. Daarna vond er een verbouwing plaats en werd het hele pand gebruikt als dierenartsenpraktijk. Wij zijn toen gaan wonen in de De Lairessestraat. Ik heb mooie herinneringen aan onze tijd in de Johannes Verhulststraat. Zoals jongens dat doen bewonderde ik mijn vader, de Volvo rijdende dierenarts, enorm.

Soms ging ik kijken bij operaties. De opengesneden buik van de kat of hond, de geur van  ontsmettingsmiddel en de geconcentreerde blik van mijn vader als hij het scalpel hanteerde met grote precisie, staan me nog altijd voor de geest. Omdat de praktijk toen nog op de eerste verdieping was gevestigd, zag ik als kind de patiënten vaak de trap afkomen met hun hond, kat of kanariepiet. Soms in tranen, als ze slecht nieuws hadden gekregen. Maar vaker dolgelukkig.

Jantje b
Schrijver dezes in de tuin van de Johannes Verhulststraat, begin jaren zestig

Afijn, all good things must come to an end. Het pand Johannes Verhulststraat 115 zal worden verbouwd tot een woning. Een dierenartsenpraktijk zal daar niet meer gevestigd zijn, vanaf deze zomer. Dat stemt me toch enigszins nostalgisch.

hondje b

 

 

Bisous, Hélène

Bisous, Hélène

Foto: Grenoble, Isère. Via wiki commons.

Het was in de zomer van 1978, dat ik haar ontmoette. Ik was negentien jaar en Hélène was nog maar zestien. Ik ging een week op vakantie met een vriend uit de Amsterdamse Pijp, waar ik toen woonde. Kamperen aan de Belgische kust.

Mijn vriend – Peter heette hij – beschikte over een stokoude, rode Daf 55. Het licht viel af en toe uit en het gaspedaal bleef soms vastzitten, maar we besloten het erop te wagen. We vertrokken met onze Daf naar Knokke.

Vakantieliefde

De derde dag van onze vakantie zag ik op het strand een Frans meisje liggen, dat ons nieuwsgierig aankeek. Ze had een grote bos blond krulhaar, een mooi gezicht met bruine ogen en een brilletje. Ze had een erotiserend lichaam. Toen ze in het water naar ons toekwam legde ik instinctief een hand om haar middel, maar ze hield het af. Later kwam ze wel bij ons groepje zitten. Ze stelde zich voor als Hélène, kwam uit Grenoble.

De dagen daarna trok ze met ons op, waarbij ik meestal degene was die met haar sprak, omdat ik de enige in ons groepje was die een beetje Frans kon praten. Op een goed moment stond ik met Hélène in de supermarkt achter een schap, toen ze ineens haar borsten tegen mij aandrukte en me een lange tongzoen gaf. Ik vertelde dit op straat aan Peter en twee Haagse nozems die wij ontmoet hadden op de camping, maar geen van allen wilde het geloven.

Die avond op het strand, moesten ze het wel geloven. Hélène en ik liepen hand in hand langs de golven, praatten honderduit in een soort abacadabra Frans (van mijn kant, maar Hélène was een goede leermeesteres) en stonden uren te vrijen. De jaloerse blikken van de anderen deden me goed, terwijl we bier zaten te drinken op een beschut terras in Knokke. Het beviel me wat minder dat bij het afscheid in een discotheek, Hélène ook Peter op zijn mond zoende. De volgende ochtend vertrok ik met Peter in de Daf. We reden probleemloos naar Amsterdam tot net over de Utrechtse brug, waarna ons vehikel het voor eens en voor altijd begaf.

De weken na onze vakantie wachtte ik met spanning op de beloofde brief van Hélène. Ik had er zelf al meerdere geschreven. Ik had net de hoop opgegeven, toen ik een lange brief ontving, met foto’s en al. Hélène had een goede schrijfstijl en was voor haar leeftijd behoorlijk filosofisch onderlegd. Ze gruwde van de monotone en beperkte wereld waarin ze leefde, verlangde naar iets nieuws, naar een teken van hoop. Ik begon direct te sparen voor het treinticket en vertrok in december voor een week naar Grenoble.

Desillusie

Ik sliep ’s nachts in de trein en kwam in de vroege ochtend aan in Grenoble. Ik liep het station uit en zag dat de stad aan alle kanten omgeven was door massieve bergen met besneeuwde toppen. Het zou een symbool zijn van hoe ik me die dagen zou voelen. Ingesloten.

Hélène woonde met haar ouders, broer en twee zussen in een krap appartement aan de Rue de Stalingrad. De vader was een geëmigreerde Belg die zijn baan als docent was kwijtgeraakt, wat verdiende met correctiewerk. Er waren spanningen in het gezin door de financiële problemen. Aan tafel ontstonden verbijsterende ruzies waarbij Hélène vaak de boventoon voerde.

Ze was moeilijk en opstandig en lag in alles dwars. Daarbij keurde ze mij eigenlijk geen blik waardig. We gingen nog naar een feest van een klasgenoot van haar, waarbij ze de hele nacht danste met andere jongens, niet naar mij omkeek. Uit ellende papte ik maar aan met een ander meisje, ene Claudine die me nog een tijdje verliefde brieven zou sturen maar die ik nooit meer terugzag.

Het bezoek was een fiasco. Helemaal niet wat ik me ervan voorgesteld had. Terug in Amsterdam besloot ik Hélène uit mijn hoofd te zetten. Na enkele weken kwamen er toch weer brieven. Ik was de belangrijkste man in Hélène’s leven, haar enige blijvende liefde, maar het was een amour-amitié. Ze was sowieso niet in staat om haar hele leven bij een man te blijven, stelde Hélène. Ze had een erg feministische opstelling. Langzaam begon ik weer in haar ban te raken.

We bleven elkaar ontmoeten, soms in Grenoble, soms in Amsterdam en soms ook halverwege in Parijs bij Henriëtte, een goede vriendin van mij die een relatie had met Jaap, toen mijn beste vriend in Amsterdam.

Ik herinner me dat we in de nacht van 31 december 1979 / 1 januari 1980 met zijn vieren (Henriëtte, Jaap, Hélène en ik) naar een nieuwjaarsfeest gingen in Parijs als “les quatre-vingt”. Een ieder van ons met 20 op het gezicht geschilderd, dus dat was samen 80. Zo vierden we de komst van de jaren tachtig.

Meerdere keren ging ik naar Grenoble, als ik geen geld had dan liftte ik erheen, bleef dan onderweg logeren bij Henriëtte in Parijs. Een keer toen ik geen lift kreeg verstopte me in de trein zonder kaartje, hopend dat de conducteurs me niet zouden ontdekken. Helaas, dat deden ze dus wel.

Ik schreef Hélène vele brieven, vroeg haar telefonisch om duidelijkheid te geven, ging soms weer met haar naar bed. Maar de ontmoetingen liepen altijd weer uit op fiasco’s, op bittere teleurstellingen. Ik wilde iets dat er kennelijk niet was, maar met mijn alles-of-niets houding van krijger in de liefde, kon ik dat niet accepteren. Uiteindelijk braken we met elkaar, ik was zo boos op haar dat ik al haar brieven en foto’s terugstuurde. Kinderachtige actie, denk ik nu.

Het contact weer hersteld

Ergens eind jaren tachtig, kwamen we elkaar toch weer tegen of maakten we het weer goed. Hoe dat is gegaan weet ik niet meer. Hélène kwam naar Amsterdam met haar levenspartner Eric, die dat tot aan haar dood is gebleven. Ik zag als een berg op tegen een ontmoeting met Hélène en Eric, maar op de één of andere vreemde manier voelde het als een bevrijding. De droom die ik jaren ’s nachts had gedroomd waarin ik panisch op zoek was naar Hélène en haar op het nippertje miste, stopte.

We slaagden erin met het klimmen der jaren de dingen maar zo te nemen als ze waren en dat was een vriendschap met misschien nog een vleugje romantiek. Zonder wederzijdse verwachtingen.

scannen0003
Hélène omstreeks 1990

Eric was een aardige, zachtmoedige, beetje alternatieve Fransman. Hij had een hip software bedrijfje gespecialiseerd in spelletjes. Uit de brieven die ik weer van Hélène ontving begreep ik dat ze nog steeds tamelijk vrije opvattingen had in de liefde en dat Eric niet de enige man was in haar leven. Ik had de indruk dat Eric zich daarbij neerlegde, maar dat hij niet zo heel gelukkig was met die situatie.

Ik realiseerde me dat het misschien maar beter was zo, want zelf zou ik in een relatie met Hélène op dit punt niet de inschikkelijkheid hebben gehad die Eric toonde. Dus dat was weer gebotst. Maar op de één of andere manier bleven Hélène en ik elkaar opzoeken. Alsof we een geheime, spirituele band hadden.

Met een vriend bracht ik in 1990 een tegenbezoek bij Hélène en Eric in Grenoble. Ik liep weer door de stad omringd door de bergen, waar ik in 1979 stuk was gelopen op mijn eigen blinde verliefdheid. Dit keer voelde ik me vrijer en bezocht wat kroegjes, die ik me nog herinnerde. Hélène liet ons het uitzicht zien van bovenaan over Grenoble, bij de kabelbaan.

Helene nieuw
Hélène en schrijver dezes in Grenoble

Laatste decennia: uit het zicht, maar niet uit het hart

Daarna hebben we elkaar nooit meer gezien. Toch bleven Hélène en ik elkaar schrijven. De genegenheid van Hélène voor mij was langzamerhand een zekerheid geworden. Ik wist wel dat het nu eenmaal was zoals het was: een vriendschap op grote afstand, maar op een bepaalde manier kon ik toch op haar rekenen. En zij op mij.

In lange brieven, die van tijd tot tijd binnenkwamen en met nog altijd met een filosofische ondertoon, deelde Hélène haar wel en wee. Hélène had eerst gewerkt bij een reclamebureau en kreeg later een baan op de marketing afdeling van GEG (Gaz Electricité de Grenoble), de energiemaatschappij van Grenoble. Ze had nog altijd een vrij progressieve levenshouding. Bij GEG kreeg ze de kans ook sociale projecten op te starten om mensen met financiële problemen te helpen, als responsable des actions Précarité Énergie. Zie hieronder.

Schermafdruk 2018-11-17 19.57.33

Met haar levenspartner ging het wat minder, schreef Hélène. Zijn bedrijf was gestopt wegens gebrek aan resultaten en hij kon niet zijn draai vinden in een vaste baan. Samen hadden ze een dochter gekregen, Lilas, waarbij Eric een deel van de opvang voor zijn rekening nam en Hélène kostwinnaar werd. Dit in combinatie met het gegeven dat het slecht ging met haar ouders en haar zus (vanwege psychische problemen) baarde haar veel zorgen, schreef Hélène.

In de afgelopen jaren bleven we incidenteel contact houden en hadden we steeds plannen om elkaar te ontmoeten. Zij zou met haar dochter naar Nederland komen voor een vakantie, maar ik geloof dat het om financiële redenen net niet lukte. Later nodigde zij ons uit om in Frankrijk de zomervakantie met onze beide gezinnen door te brengen in een huis van kennissen, maar dit keer was het voor mij als (inmiddels) ZZP’er die toen net worstelde met de gevolgen van de eurocrisis, financieel niet haalbaar.

Zo heeft dat stomme geld ook nog in de weg gestaan van een nieuwe ontmoeting.

Een jaar of twee geleden meldde Hélène bij mij dat ze ernstig ziek was, een kwaadaardige tumor in de alvleesklier. Ze ging vol de strijd aan met hulp van de artsen, maar ook met allerlei diëten die goed pasten bij haar progressieve levenshouding. Ze vormde een support group van vrienden in haar omgeving. Maar geleidelijk werd het stiller.

Ik wist zelf ook niet goed wat ik ermee aan moest. Wilde iets doen om haar te helpen, maar wist niet wat. Op haar laatste verjaardag, 30 november 2017, stuurde ik haar weer een bericht. Gefeliciteerd, red je het nog? Is het ergste al achter de rug? Drie dagen later mailde Hélène terug, dat ze me wilde bellen. Het bericht luidde:

Salut Jan, je vais essayer de te téléphoner tout à l’heure. Es-tu disponible?

Bisous

Hélène

Bisous, Hélène. Zo eindigden de brieven ook waarop ik veertig jaar geleden in mijn verliefdheid met smart zat te wachten, tot de postbode ze bezorgde. Ik mailde terug dat ze dat gerust kon doen op ieder gewenst tijdstip, met mijn telefoonnummers, die ze ook al had van mijn mail footer. Zelf had ik het telefoon nummer niet van Hélène na een recente verhuizing, omdat we inmiddels mailden in plaats van schreven.

Alsof het lot dat ons toch al niet zo gunstig gezind was geweest ons nog één keer wilde tarten, kreeg ik mijn mails ineens terug met een systeemmelding dat ze niet afgeleverd konden worden. Misschien zat haar mailbox vol.

Aangezien Hélène mijn nummer wel had, maar ik het hare niet, leek het me raadzaam te wachten. Maar het telefoontje kwam niet. Ik zat er een paar dagen over te piekeren. Begin januari dit jaar probeerde ik het nog een keer, maar de mail functioneerde nog steeds niet. Ik dacht, laat ik maar even afwachten. Ze heeft mijn nummer. Als ze zover is, belt of mailt ze wel weer.

Zo was het immers altijd geweest tussen ons. Ik kon maanden, soms jaren niets van haar horen, maar vroeg of laat kwam die brief weer met vier of vijf vol geschreven velletjes. Ik drukte mijn gedachten en gevoelens hierover naar de achtergrond. Maar het voelde niet goed. De hele tijd niet. En het bleef stil.

Afgelopen week twitterde ik iets over Hélène en vroeger – ik twitter nu eenmaal van alles en nog wat – maar ineens greep ik mezelf bij de kraag. Zit je nu te twitteren en je weet niet eens hoe het met haar gaat! – sprak ik mezelf streng toe. Dus stuurde ik weer een mail naar Hélène. Hoe gaat het? Red je het nog?

Dit keer kwam de mail wel aan en er kwam zelfs een rap antwoord van haar mail account, niet van Hélène, maar van Eric, haar levenspartner.
Hélène is al op 13 januari 2018 overleden nadat haar ziekte uitzichtloos was geworden en alle behandelingen hadden gefaald, schrijft Eric. Hij excuseert zich dat hij het niet eerder gemeld had, maar was begrijpelijkerwijs gedompeld in verdriet en stelde de zorg voor hun dochter op de eerste plaats.

Ik denk nu, dat Hélène mij nog wilde bellen in december, om afscheid te nemen. Heeft ze het niet gedaan omdat ze mijn antwoord op haar vraag of ik beschikbaar was, niet meer heeft ontvangen? Of ontbrak het haar aan de moed om zo’n telefoontje te plegen? Of misschien was ze gewoon te ziek en in beslag genomen door de zorg voor haar naasten? Of dit alles tegelijk.

Het maakt eigenlijk niet uit en ik heb er vrede mee. In ieder geval wist Hélène, een paar weken voordat ze is overleden, dat ik had gedacht aan haar verjaardag, ook al hadden wij elkaar al achttien jaar niet meer gezien. En ik weet dat zij aan mij dacht en me nog wilde bellen. Dat is toch al mooi. Hoeveel ex-geliefden doen elkaar niet in de ban, of zijn elkaar na een poosje straal vergeten?

Als-dan-redeneringen hebben zo weinig zin. Als de crisis na 2008 niet zo had toegeslagen, dan hadden we die gedroomde vakanties kunnen plannen en elkaars kinderen beter leren kennen. Als de mail niet ineens was vastgelopen, dan had ze mij misschien nog gebeld. Of als ik het gevoel niet weggedrukt had en zelf haar telefoonnummer had uitgezocht, had ik dat ook zelf kunnen doen.

Maar goed. Het is zoals het is.

Hélène stuurde in 2009 babykleertjes toen onze jongste dochter was geboren, schoot me vandaag  te binnen. Nee, Hélène was niet altijd de makkelijkste, maar ze was een mooi, een bijzonder en een lief mens.

Salut, Hélène. Bisous.

 

 

 

 

 

 

Het treurlied van de PvdA-burgemeesters

Het treurlied van de PvdA-burgemeesters

Sinds WO2 worden onze grote steden overwegend bestuurd door burgemeesters van de PvdA. Doorgaans waren dat solide bestuurders die veel deden voor “de gewone man”, realistisch omgingen met de belangen van het bedrijfsleven en oog hadden voor traditie en volksvermaak. Tegenwoordig worden zij door velen gezien als arrogante vertegenwoordigers van het partijkartel. Bij het laten verdwijnen van de traditionele Zwarte Piet, speelden verschillende PvdA-burgemeesters achter de schermen een cruciale rol. Hoe kon het zover komen?

Voor de oorlog was Nederland een conservatief-liberaal bestuurd land. De collectieve uitgaven bedroegen minder dan 30% van het BBP en dat geld ging nog grotendeels naar politie en defensie, hoewel onze vloot en leger er veel te zwak voorstonden aan het begin van WO2. Verder was er geld voor onderwijs, infrastructuur, sociale woningbouw en sociale instellingen, maar veel was het niet.

Bij een bloeiende economie was dit beleid nog houdbaar, maar toen er sprake was van een langdurige economische crisis in de jaren dertig sprongen in verschillende landen fascisten en nationaal-socialisten in het gat. Hoewel men tot op de dag van vandaag alles uit de kast haalt om deze bewegingen te framen als “rechts”, waren ze sociaal-economisch gesproken eerder links. Dat verklaart ook grotendeels hun aantrekkingskracht voor de massa. In Nederland werden gedurende de Bezetting onder andere het Ziekenfonds, het Ontslagrecht en de Kinderbijslag ingevoerd.

De PvdA na de oorlog

Natuurlijk werd hierover tijdens de oorlog al nagedacht door de Nederlandse elite en het koningshuis. Na de oorlog zou er meer ruimte gemaakt worden voor de sociaal-democratie, om zodoende een Verelendung van de massa – met als mogelijk gevolg een nieuwe vorm van extremisme – te voorkomen. Op landelijk niveau werd dit beleid doorgevoerd door de bekende vadertje Drees van de PvdA, onze premier van 1948 tot 1958. Tevens de grondlegger van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid.

In Amsterdam was burgemeester Arnold Jan d’Ailly (PvdA, burgemeester van 1946 tot 1956) typisch iemand die opereerde op het snijvlak van elite, sociaal-democratie en koningshuis. Hoewel afkomstig uit de bankierswereld – hij speelde op het einde van de oorlog nog een kleine rol in de illegale financiering van het verzet naast de broers Walraven en Gijs van Hall en Iman van de Bosch – wist d’Ailly ook de taal te spreken van de gewone man en vrouw. Zijn contact met het koningshuis was uitstekend. Overigens zou d’Ailly in 1956 opgevolgd worden door diezelfde Gijs van Hall, als burgemeester wat minder geslaagd en eveneens “bankier van het verzet”.

burgemeester 1
Burgemeester d’Ailly schudt de Sint (mijn opa) de hand in 1954

Dit contact van d’Ailly met het koningshuis zou van pas komen bij de organisatie van jaarlijkse grote Sinterklaasintocht in Amsterdam, die toen nog de facto de landelijke intocht was en vanaf 1952 tot 1963 ook de televisieintocht. Van 1952 tot en met 1954 zouden koningin Juliana en prinsesjes Marijke en Margriet aanwezig zijn bij de intocht van de goedheiligman.

In het Nederland van de Wederopbouw, waar de mensen het niet breed hadden, was deze Sinterklaasintocht met warme koestering van de onschuld van het kind en het gezin, ondersteund door het koningshuis als nationaal symbool, een groot succes. Waar het toeschouwersaantal in 1950 nog zo’n 250.000 mensen bedroeg, steeg dit al snel tot zo’n 750.000 in 1953 en 1954 en zelfs 800.000 in 1955.

 

De PvdA-burgemeester anno nu

Flashforward
naar 2018. Er is weinig over van die PvdA van na de oorlog die er was voor de gewone mensen en waarvan de bestuurders – ook al waren ze soms regentesk –garant stonden voor sociale zekerheid en het ouderwetse socialistische streven naar verheffing van het volk, of de emancipatie van de vrouw. Kennelijk beschouwden zij ergens in de jaren zeventig en tachtig die taak als voltooid. De arbeider werd vervangen door een nieuw slachtoffer waarop een zieligheidsindustrie gebouwd kon worden: de immigrant.

Zo kon er een politieke cultuur groeien waarbij de PvdA-elite zich totaal vervreemdde van de eigen achterban en steeds meer een dubieuze rol ging spelen in het faciliteren van de veelal allochtone achterban. Toen de PvdA erachter kwam dat ze daarin doorgeschoten waren, stapten zoals bekend Oztürk en Kuzu uit de PvdA kamerfractie en richtten DENK op, nu goed voor zeven virtuele zetels.

Ondanks tal van rapporten en studies, opgesteld door grijze muizen als Ad Melkert, is de PvdA er nog steeds niet in geslaagd met een aansprekende koers of richting te komen. De reflex van hun bestuurders is sinds de jaren 70/80 nog steeds dezelfde: de allochtone achterban moet behaagd worden, het multiculturele ideaal koste wat kost uitgedragen, de oorspronkelijke achterban is vergeten.

De Sinterklaasintocht en de PvdA

Het is ironisch dat de bonte intocht van Sinterklaas, die in de jaren vijftig zo groot werd mede dankzij PvdA-burgemeester Arnold Jan d’Ailly, door een aantal PvdA burgemeesters in de tang is genomen als waren zij presidenten van een Sovjet-republiek.

Zo bleek uit een onthullende open brief uit 2014 van de twee “hoofdpieten” tevens organisatoren van de Amsterdamse intocht, Frans van Konijnenburg en Bram Graafland, dat zij in de achterkamertjes door wijlen burgemeester Eberhard van der Laan snoeihard voor de keuze werden gesteld: of van alle Zwarte Pieten kleurloze en herkenbare veegpieten maken, of vertrekken.

Frans en Bram besloten te vertrekken. Niet eens zozeer omdat zij per se de Zwarte Piet in zijn huidige vorm willen behouden, maar omdat zij het Sinterklaasfeest zien als een magisch sprookje dat nu door bemoeienis van fantasieloze PvdA-bureaucraten kapot wordt gemaakt.

In Rotterdam was het niet veel beter. Ook PvdA-burgemeester Aboutaleb opereerde hypocriet achter de schermen. Zogenaamd bemoeide hij zich niet met de inhoud van de intocht, maar door op slimme wijze een radicale actievoerder naar voren te schuiven is het ook met de Rotterdamse Zwarte Piet binnenkort gedaan, zoals het AD onthulde in deze reconstructie: En plots was er een pietenakkoord. Dat ruim tweederde van de Nederlanders daar totaal anders over denkt, boeit deze PvdA-regenten niet. Daarmee tonen zij wel aan hoezeer zij vervreemd zijn van hun achterban.

PvdA-burgemeester Marga Waanders bakt ze het bruinst

Van alle PvdA-burgemeesters bakte de burgemeester van Dongeradeel, Marga Waanders, ze wel het bruinst. Naar nu blijkt naar aanleiding van de rechtszaak tegen Friese heldin Jenny Douwes en de #blokkeerfriezen, was Waanders voor de intocht in 2017 maandenlang in de weer om zowel de linksradicale agressieve Kick Out Zwarte Piet beweging als de rechtsextreme NVU bij de intocht te laten demonstreren. In het zicht van de kleine kinderen en hun ouders!

Of bij het contact van burgemeester Waanders met de NVU het initiatief van de burgemeester kwam of van NVU, weet ik niet. Maar het lijkt er toch wel sterk op dat hier sprake was van een regentesk PvdA-opzetje: door een optreden van de neonazi’s van NVU zou de sympathie van de bevolking uitgaan naar de antipieten, waarna de PvdA’ers in openbaar bestuur en bij de media de door hen gewenste verandering verder door kunnen voeren: de traditionele Zwarte Piet moet wijken, voor iets met roetveegjes.

De grote vraag is nu of burgemeester Waanders met dit opzetje zich niet min of meer schuldig heeft gemaakt aan uitlokking. Want hoe haal je het in vredesnaam in je hoofd: rechtsextremisten én linksextremisten een prominente plaats gunnen bij de intocht van Sinterklaas, het mooiste kinderfeest van de wereld.

De Amsterdamse burgemeester van 1954, Arnold Jan d’Ailly, wist het beter: hij gunde die prominente plaats aan onze koningin en aan de eerste Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Trygve Lie. Dat was een andere tijd, met een andere PvdA en trouwens ook een heel andere VN. Wat een treurlied.

p.s. naschrift d.d. 9/10/2018

Uit nader onderzoek van de journalist Wierd Duk, die zowel burgemeester Waanders als NVU-leider Kusters heeft gesproken, blijkt dat burgemeester Waanders wel alle mogelijke moeite heeft gedaan om de radicale Kick Out Zwarte Piet beweging te accommoderen, maar met de NVU alleen oriënterende gesprekken voerde. Die nuance moeten we dus aanbrengen.

Blijft zeer merkwaardig dat de intocht organiserende burgemeester per se de linksextremisten van Kick Out Zwarte Piet erbij wilde hebben en daarnaast meermaals persoonlijk belde met de rechtsextremisten van NVU.

 

 

 

 

 

Een vondeling gespalkt naar zijn baas terug

Een vondeling gespalkt naar zijn baas terug

hondje

 

Een fragment uit het boek van mijn grootvader, “Volgende patiënt!”,  gepubliceerd in 1940 door de Amsterdamse uitgever Andries Blitz, met omslagtekening van Jo Spier.

De geschiedenis van de vondeling, die gespalkt bij zijn baas terug kwam. Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van de dierenartsassistente.

***

 

De vondeling keek met treurige ogen naar me, toen ik hem in mijn armen had. Met Dr. Gajentaan had ik hem van zijn tijdelijke tehuis gehaald.

“t Is een schat!” zei de vrouw des huizes. “Als ik al geen twee honden had zou ik hem vast en zeker opnemen. Maar er zijn tenslotte grenzen. Ziet u wel, dat hij een belastingpenning om heeft? M’n man zal vandaag proberen om zijn baas op te snorren en mocht dat niet lukken, dan gaat hij naar het asiel tot we een goed huis voor hem hebben gevonden. Die penning is namelijk al verlopen. Er bestaat dus een kans dat het een zwerver is, hoewel hij er tamelijk onderhouden uitziet. We gaan dus wat Sherlock Holmessen…”

Dat was nu die echte dierenbeschermster, waarvan ik u al vertelde. De goedheid lag op haar gezicht. Zo’n dame is vast even lief voor honden als voor kinderen. ‘k Wou dat ik zo’n moeder had…

Onderweg naar huis vertroetelde ik de straatterriër zo’n beetje en dat liet hij zich zalig aanleunen. Het linker voorbeen was even boven de pols gebroken. Als je eraan kwam kreunde de hond pijnlijk.

opa-2Net als een kind liet hij zich op de behandeltafel leggen en hij protesteerde niet eens, toen hij het bandje om de snuit kreeg. Dat doen we ook om het janken een beetje tegen te gaan. Want je moet zo’n dier natuurlijk even pijn doen.

Het gebroken been moest ik strekken. Mevrouw Gajentaan hield de hond vast. Die heeft een ervaring! Ik voel me altijd een onhandig meiske, als zij meehelpt…

“Trekken maar!”, gelastte de dokter. “Harder trekken! Wees maar niet bang, dat je hem pijn doet. Rechtstandig kan dat been wel wat hebben. Zie je wel, hij kreunt niet eens!”
Ik trok uit alle macht en onderhand knipte Dr. Gajentaan de haren onder en boven de breuk wat weg.

Op het gasvlammetje stond de zinklijm te warmen. Zinklijm (of waterglas, dat er ook wel voor gebruikt wordt) is een heerlijk goedje om benen mee te spalken, – behalve als je het flink aan je handen krijgt, want dan voelt men zich min of meer stucadoor. Deze stof biedt het onmiskenbare voordeel, dat het verband nooit kan afzakken of verschuiven, daar het aan de huid als het ware zit “vastgegoten”.

Je kunt er prachtige lichte “gips”-verbanden mee aanleggen. Eerst de repen verbandlinnen er stuk voor stuk inbetten en die dan rond het been winden, zodat ze onder en boven de breukplek uitkomen. Alle repen kleven dadelijk vast.

Is het been een paar keer omwonden, dan gaan er twee kartonnen spalken op, die in de vorm van een sigaar geknipt zijn, zodat ze min of meer dezelfde lijn als het been vertonen. Ook hier gaan verbandrepen omheen. Het been is dan één stijve, witte zuil, waar onderuit de voet steekt.

“Die voet gaan we ook nog omwinden”, zei Dr. Gajentaan. “Je hebt altijd kans, dat de bloedcirculatie niet volkomen normaal is en dat de voet iets gaat opzwellen. Welnu, dat voorkomen we door de voet wat stijf te verbinden. Na een paar dagen kan dat er al weer af. Zo jongen, je bent klaar!”

Blonk er iets dankbaars uit de ogen van de vondeling? Ik verbeeldde het me echt! Hij mocht zo lang in de wachtkamer op een kleedje bivakkeren tussen twee stoelen in. En daar zat hij nu. Het gespalkte been recht vooruit. Net of hij er verschrikkelijk trots op was.

“In hoeveel tijd kan zo’n hond nu weer lopen?” vroeg ik.
“Over een dag of drie probeert hij het al. ’t Gaat met een hond heel wat sneller dan met een mens. Wij zijn er zeker een week of zes mooi mee en een hond merkt er na een week of drie nauwelijks meer iets van”.

Als ik ten bate van de nieuwsgierige lezers even op de geschiedenis vooruit mag lopen: de dierenbeschermster heeft de baas van de vondeling opgedoken. De man was al erg ongerust over zijn hond en bleek heel dankbaar voor de zorg, die aan de vluchteling was besteed. Uit erkentelijkheid werd hij lid van de Bond voor Daadwerkelijke Dierenbescherming. En zo heeft dat gebroken been gewerkt als een pakkende propaganda-brochure.

Echt leuk…!
***

schermafdruk-2016-12-17-17-18-36

Waarom ik hecht aan christelijk (maar geseculariseerd) basisonderwijs

Waarom ik hecht aan christelijk (maar geseculariseerd) basisonderwijs

Titelfoto: de protestants-christelijke Hildebrand van Loonschool (Hildebrandschool) te Amsterdam. Foto van Alf van Beem via wiki commons.

Van tijd tot tijd wordt in Nederland de discussie aangeslingerd over het Bijzonder Onderwijs. De inmiddels gesneuvelde rechtse partij VNL wilde er al afscheid van nemen, nu is het de #vrijlinks beweging van Eddy Terstall en Keklik Yücel die onderwijs op religieuze basis wil afschaffen.

Al eerder heb ik dit thema aangesneden in een blog welke een reactie was op een stuk van Roderick Veelo. Vandaag wil ik als niet-gelovige eens proberen onder woorden te brengen waarom ik hecht aan het christelijk-seculier basisonderwijs. Daarmee bedoel ik onderwijs op christelijke basis, dat zich in voldoende mate heeft aangepast aan onze seculiere maatschappij.

Hoewel in Rotterdam woonachtig, ben ik een geboren 10e generatie Amsterdammer. De Gajentaans van vervlogen tijden waren eenvoudige handwerklieden. Timmermannen, steenhouwers, huursoldaten, schoen- en pantoffelmakers, een enkele visboer. Hun geloof was doorgaans protestants, hoewel we ook een enkele katholieke Gajentaan aantreffen in de geschiedenis.

Er waren wel wat aparte koekjes bij die vroege Gajentaans. Zo treffen we in de 19e eeuw zelfs een crimineel en moordenaar Jan Gajentaan die zich verweerde tegenover de rechter in een stortvloed van plat Amsterdams, blijkens het rechtbankverslag in het Handelsblad. Ook  alcoholische versnaperingen werden gretig genuttigd door sommige Gajentaans. Mijn opa liet mij ooit een briefje zien van zijn moeder waarin hij streng gemaand werd op het rechte pad te blijven, onder verwijzing van Gajentaans die daar behoorlijk van waren afgedwaald.

Het stijgen op de sociale ladder begon met mijn overgrootvader Jan Gajentaan, die boekhouder was en accountant in Amsterdam bij de scheepsverzekerings-maatschappij Van Es & van Ommeren. Deze Jan Gajentaan en zijn echtgenote Cornelia waren actief lid van de Evangelisch-Lutherse gemeente in Amsterdam. Door goed onderwijs en de “morele verheffing” van de kerk, wist hij zich te ontworstelen aan een milieu waar drankgebruik en geweld dus geen onbekenden waren. In 1902 beviel Cornelia, hoewel toen al veertig jaar oud, van een tweeling, toepasselijk Jan en Cor geheten. Helaas overleed Cor op vijfjarige leeftijd aan een longontsteking waardoor Jan, mijn opa de latere dierenarts en Sinterklaas, als enigst kind opgroeide aan de Nassaukade.

Mijn opa was heel actief in het maatschappelijk leven en lid van tal van comités in het interbellum, waaronder verschillende Oranje-Comités en -verenigingen, het Algemeen Nederlands Verbond en het ICA (Initiatief Comité Amsterdam) waaruit na de oorlog zijn Sinterklaasschap is voortgekomen. Echt actief in de kerk was hij niet, maar het geloof was voor hem wel een bron van inspiratie, in ieder geval voor de oorlog. Zo maak ik op uit dit fragment in zijn boek “Volgende patiënt!” gepubliceerd in 1940, waarin de dierenarts zijn assistente als volgt toespreekt:

De ergste zonde, die wij in de veterinaire wereld kunnen maken, is, dat we onze patiënten als een samenstelsel van botten, pezen, cellen en zenuwen zien. En niet als een schepsel Gods.
“En God zeide: Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.”
Lees er het boek Genesis maar eens op na…
De dieren zijn aan onze hoede toevertrouwd. Zij bevolken evenals wij de aarde, hebben evenals wij, doch op hún manier – vergeet dat nooit! – hun vreugden en verdriet, hun pijn, hun geluk.
En dat legt ons de ereplicht op om goed voor dieren te zijn, vooral voor zieke dieren. Daarom heb ik mijn beroep ook altijd een beetje als een roeping beschouwd.

In de Tweede Wereldoorlog is, voor zover ik weet, mijn opa van zijn geloof gevallen. Hij zal niet de enige zijn geweest in die sombere jaren waarin zich de genocide op het Joodse volksdeel van Amsterdam vertrok, waarmee vele warme banden waren. Ook speelde een rol dat mijn overgrootouders in de hongerwinter opgevangen moesten worden door mijn grootouders in huis. Dat de kerk waarvoor zij zich hun hele leven hadden ingezet daarbij geen ondersteuning gaf, was iets dat mijn opa kennelijk stoorde.

Daardoor werden de banden van de Gajentaans met de Evangelisch-Lutherse gemeente in 1945 verbroken. Ik ben daar dan ook nooit geweest en weet nauwelijks wat het inhoudt. Mijn grootouders en ouders heb ik zelden over het geloof gehoord. Mijn moeder was katholiek maar zij is vroeg overleden, mijn vaders tweede vrouw weer protestant maar evenmin gelovig. Kerken heb ik dus niet veel van binnen gezien in mijn jeugd.

hildebrand 2
In dit gebouw in de Banstraat (dat niet meer bestaat) heb ik kort een katholieke kleuterklas bezocht

Mijn moeder zette mijn zusje en mij eerst op een katholiek kleuterschooltje in de Banstraat tegenover de Valeriusstraat, kort daarna gingen we over naar de protestants-christelijke Hildebrandschool, iets verderop in de Banstraat gelegen. Vermoedelijk vonden mijn ouders het wel van belang dat wij de christelijke waarden en cultuur meekregen.

Ik zat daar op school van 1965 tot 1971 en bewaar er zeer prettige herinneringen aan. Je kreeg er wel bijbelles, maar nooit heb ik die als opdringerig ervaren.

Mijn zusje en ik gingen ook nog een jaartje naar een zondagsschool, maar dat was volgens mij een truuk van mijn vader die de zondagochtend dan een heerlijk rustig huis had om uit te slapen of wellicht andere activiteiten te ontplooien 😉 , zoals Rob Hoogland opmerkte naar aanleiding van deze tweet.

Hoe het ook zij, ik denk dat ik baat heb gehad van mijn christelijk-seculiere basisschool.  Een stuk cultuur en normen en waarden, die je ook als niet-gelovige van belang kunt achten. Ik moet toegeven dat mijn kennis over religieuze onderwerpen vaak tekort schiet, omdat hetgeen ik daarover geleerd heb op school grotendeels weggezakt is in mijn geheugen. Zelfs bekende christelijke feestdagen als Pinksteren moet ik soms googelen: wat was dat ook alweer precies? Mea culpa.

Mijn levenspartner is van Surinaamse afkomst (marrongemeenschap binnenland). Zij is niet heel erg gelovig, maar heeft net als de meeste mensen uit het Surinaamse binnenland die charmante combinatie van christelijk- en wintigeloof die op een wonderlijke manier vrij goed samen gaan en elkaar eerder lijken te versterken, dan tekort doen.  Onze kinderen hebben hier in Rotterdam op een protestants-christelijke lagere school gezeten; de jongste twee zitten daar nog op.

Ook over deze school heb ik niets te klagen of het moet zijn, dat er momenteel een leegloop is door het dalend geboortecijfer in de buurt. De kinderen leren er iets over het christelijk geloof, hetgeen ik prettig vind en op prijs stel. Het compenseert mijn eigen gebrek aan kennis. Zo krijgen ze iets mee dat ook voor de familie Gajentaan vormend is geweest, hoe je het ook wendt of keert. Ook deze school is niet opdringerig. Er zijn genoeg islamitische en niet-gelovige kinderen die zich er prettig voelen. Als ik ze erom vraag, zeggen mijn kinderen dat ze in God geloven. Deed ik dat zelf op die leeftijd? Ik geloof nog net. Net als mijn ouders, vind ik het belangrijk dat ze “er iets van mee krijgen”. Of ze later wel of niet gaan geloven, is straks hun eigen keuze.

We leven in een verwarrende tijd, mede als gevolg van massa-immigratie. De islam, die door onze elites altijd beschouwd is als een geloof net als alle anderen, ontpopt zich in een radicale, politieke variant die aanzet tot radicalisering en terreur. Jarenlang is ons voorgehouden dat die terreurbeweging niets te maken heeft met de islam als geloof, immers een “geloof van vrede”. Verschillende islamdeskundigen zoals Afshin Ellian, wijlen Hans Jansen,  Ayaan Hirsi Ali of Wim van Rooy, denken daar heel anders over. Mijn mening daarover? Mijn gebrek aan kennis over religieuze zaken doet zich weer voelen. Ik weet er te weinig van.

Wat ik wel weet, is dat overal de kerken verdwijnen terwijl moskeeën her en der uit de grond rijzen, veelal gefinancierd vanuit het buitenland door allerlei agressief-islamitische stromingen. De volgende stap is dat de president van Turkije Erdogan hier weekendschooltjes wil gaan vestigen, om de jongste generatie Turkse Nederlanders politiek-religieus te hersenspoelen. Onze minister van Onderwijs geeft al aan dat zij hiertegen niets kan ondernemen.

Mij dunkt dat we eerst eens moeten beginnen de buitenlandse financiering van agressieve, anti-westerse geloven ter discussie te stellen. In lijn met hetgeen Afshin Ellian naar voren bracht in een gesprek met de Telegraaf afgelopen juni. Moeten we dat doen door het Bijzonder Onderwijs in het geheel af te schaffen, zoals Vrij Links voorstelt? Gooien we dan niet met het badwater ook het kind weg?

Het christelijk (maar geseculariseerd) onderwijs functioneert al een eeuw voor veel mensen (ik geef toe, niet allen) prima, ook voor niet-gelovigen zoals ondergetekende. Ik ben dan ook niet overtuigd van de noodzaak het af te schaffen. Dat lijkt mij een vorm van het paard achter de wagen spannen. Ik waardeer het en van mij mag het blijven.