Zo vlak voor de Koningsdag is het misschien leuk een stukje vooroorlogse geschiedenis aan te halen over Koninginnedag – voor de oorlog gevierd op 31 augustus, de verjaardag van Wilhelmina. Destijds werd ook nog Prinsessedag gevierd en wel op 30 april, de verjaardag van Juliana. Al in de late 19e eeuw speelden deze feesten een belangrijke rol in de geschiedenis van ons land.

Het begon op 31 augustus 1885 met Prinsessedag bedoeld om de verjaardag van (toen nog prinses) Wilhelmina te vieren. Dit was een idee van de liberale burgerij die hiermee het idee van nationale eenheid wilde benadrukken in een zeer verdeeld Nederland, zowel politiek als religieus.

De persoonlijke geschiedenis van mijn grootvader is hier nauw mee verbonden. Want toen hij een jonge dierenarts was van een jaar of 28, werd hij al voorzitter van de Amsterdamse Oranje Jeugdbond, de AOJB. Dit was in feite een dépendance van de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak, een 19e eeuwse vereniging van de gegoede burgerij, destijds opgericht om het volk te “verheffen” middels sport en spel en om excessief drankgebruik en vechtpartijen zoals die toen vaak op kermissen voorkwamen, tegen te gaan. In onze tijd van zinloos geweld in uitgaanscentra, voorwaar geen slecht initiatief!

Koninginnedag 1937
Koninginnedag in de late jaren dertig

Oorspronkelijk was het een afdeling van de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak die de kinderfeesten voor Koninginnedag en Prinsessedag organiseerde in Amsterdam, maar omdat zij daar door tijdgebrek niet aan toekwamen droegen zij die taak over aan de AOJB.

Koninginnedag 1931 B
Koninginnedag in de jaren dertig: twee glazen melk, drie krentenbollen, een glaasje limonade en een ijsje

Op onderstaande foto van het bestuur van de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak, genomen op Koninginnedag 31 augustus 1931, zie je als derde van rechts mijn opa staan.

Koninginnedag 1931

Koninginnedag NIWOpa was toen net 30 jaar geworden. Hoe de vereniging bij hem terecht is gekomen, weet ik niet. Ik heb wel eens gehoord dat hij als jongeling erg actief was in de padvinderij en zo was opgevallen. Gescout door de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak! Hoe het ook zij, opa nam zijn ideële taak in het verenigingsleven erg serieus. TV was er niet, dus naast zijn drukke praktijk als dierenarts reed hij al snel de hele stad door om op Koninginnedag en Prinsessedag kinderfeesten te organiseren. Daartoe bezocht hij protestantse, Joodse en katholieke verenigingen en was daar succesvol mee, blijkens het bericht in het Nieuw Israëlitisch Weekblad uit 1934 aan de linkerzijde van deze pagina, toen de AOJB tien jaar bestond.

Uit het bericht blijkt dat de AOJB onder het voorzitterschap van mijn opa stappen had gezet. De kinderfeesten, die op het Amsterdamse IJsclubterrein en op andere terreinen werden gehouden, waren uitgegroeid van ca. 2400 kinderen tot ca. 10.000 kinderen, alleen al op het IJsclubterrein. Het aantal deelnemende organisaties was ook toegenomen. De Joodse organisaties waren zeer actief in het vieren van deze dagen. Zie ook mijn blog Max en Jan.

Dat de Joodse bevolking van Amsterdam toen met zo’n intensiteit de verjaardag van Wilhelmina vierde – socialisten waarschijnlijk uitgezonderd – is natuurlijk wrang gezien de huidige kritiek op het handelen van Wilhelmina in de oorlog, of vooral haar gebrek aan handelen waar het de Joodse bevolking betrof. Al blijf ik van mening dat hierbij soms de nuance zoek raakt. Afijn, Loe de Jong en Cees Fasseur zijn er niet meer om Wilhelmina te verdedigen en de kritische stemmen hebben de overhand. Het zij zo.

Mijn opa en oma heb ik gekend vanaf mijn geboorte in 1959 tot hun overlijden in de jaren tachtig in de vorige eeuw. Ik herinner me hen als hartelijke, optimistische mensen met een grote liefde voor kinderen, waarbij mijn opa ook nog eens een groot talent had als organisator en spreekstalmeester. Daarnaast was opa door zijn bestuurslidmaatschap van het ICA van Dr. Maurits “Maupie” de Hartogh vanaf de eerste Sinterklaasintocht in 1934, nauw betrokken bij de organisatie daarvan en reed jarenlang met het reservepaard achter de Sint aan met uitzondering van de oorlogsjaren.

Zijn grote ervaring met kinderfeesten op Koninginnedag en Prinsessedag opgedaan voor de oorlog als voorzitter van de AOJB is mijn opa zeker van pas gekomen toen hij in 1950 zelf de mijter op mocht zetten. Ook de band met het Huis van Oranje kwam van pas, want drie keer slaagde opa erin samen met burgemeester d’Ailly de koninklijke familie op te laten draven bij de intocht. Zo behaalde hij als Amsterdamse Sint in de jaren 50 aantallen van tot 800.000 toeschouwers, die later nooit meer verbeterd zijn.

Intocht 1952 met Koningin Juliana
Opa (Sint) geeft prinses Marijke een handje terwijl Koningin Juliana goedkeurend toekijkt. Begin jaren vijftig.

Ondanks zijn nationale roem van na de oorlog als Sinterklaas, bleef opa altijd een beetje nostalgisch terugverlangen naar die Koninginnedagen van vóór de oorlog. In diverse gesprekken met Paul Hellmann daarover, verklaarde hij dat hij de ideeële instelling en het gevoel van nationale saamhorigheid miste van de Koninginnedagen van vóór de oorlog. In de beleving van mijn opa was de wijze van vieren van Koninginnedag na de oorlog, waarbij de handel op de vrijmarkten steeds belangrijker werd, steeds meer “routine, gesneden koek”, zoals Paul Hellmann schreef in dit boeiende artikel uit het NRC van 1992 over de geschiedenis van Koninginnedag en de heropleving daarvan sinds de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw: zelfs de aubade is weer terug.

De heropleving van Koninginnedag (nu Koningsdag) heeft mijn opa niet meer meegemaakt. Hij overleed begin 1987. In 1965 had hij zijn Oranjepet al aan de wilgen gehangen, omdat hij als voorzitter van het Oranjecomité geen trouwfeest wilde organiseren voor prinses Beatrix en “oorlogsduitser” Claus. Dat was een emotioneel besluit en achteraf misschien geen verstandig besluit, gezien de latere voorbeeldige houding van prins Claus naar de Joodse gemeenschap toe en ook ten opzichte van Israël. Wel was het begrijpelijk, juist gezien zijn nauwe samenwerking met de Joodse organisaties voor de oorlog.

De dag nadat opa zijn besluit bekend maakte om terug te treden als voorzitter van het Oranje Comité, lag de stoep voor onze dierenartsenpraktijk c.q. woonhuis in de Johannes Verhulststraat in Amsterdam-Zuid bezaaid met bloemen. Die waren daar neergelegd door leden van Joodse organisaties, hoewel mijn grootouders toen al in Buitenveldert woonden, maar dat was niet zo bekend. Mijn vader liet de bloemen zo lang mogelijk liggen. 

De geest van de vooroorlogse Koninginnedagen en Prinsessedagen in Amsterdam, waar de protestantse, Joodse, katholieke en overige inwoners van Amsterdam nationale eengezinsheid vierden alsmede hun “aanhankelijkheid aan het kongingshuis”, is inmiddels verwelkt. Net als die bloemen voor ons huis. Toch is Koningsdag nog altijd een populair feest, waarbij we onze verdeeldheid even lijken ze vergeten. 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s