Soms komt het ene blog voort uit het andere. Zo moest ik gisteren ineens denken aan de vriendschap van mijn opa Jan Gajentaan (1902 – 1987) met de Joodse Amsterdammer Max Goldenberg (1902 – 1945).

Het vreemde is dat ik mijn opa nooit heb horen spreken over Max. In de jaren zestig en zeventig hoorde je de generatie van mijn grootouders ook niet veel over de periode van de oorlog en daarvoor. Door internet te raadplegen en door archief sites als Delpher.nl  kom ik nu achter veel zaken die ik graag nog had willen navragen bij mijn grootouders, maar daarvoor is nu te laat (ze zijn in de jaren tachtig overleden).

intocht 1950 maupie paintEen aantal Joodse relaties uit het vooroorlogse Amsterdam hebben een sleutelrol gespeeld in het leven van mijn grootvader. Eerder heb ik het gehad over Dr. Maurits “Maupie” de Hartogh, de flamboyante huisarts en politicus met eenmanspartij tevens oprichter van het ICA waar mijn opa bestuurslid was.

Maupie was de drijvende kracht achter de eerste grote Sinterklaasintocht in 1934, het grote spektakelstuk van het ICA. Zonder Maupie was mijn opa nooit de Amsterdamse Sinterklaas en dus ook niet de eerste nationale televisiesinterklaas geworden.

Dan had je in opa’s kennissenkring vanuit de ICA-hoek ook de illustrator van Joodse afkomst Jo Spier, die het hondje tekende op de omslag van het boek van mijn grootvaders’s boek uit 1940 “Volgende patiënt”, dat werd uitgegeven door de ook weer Joodse uitgever Andries Blitz.

aaaVolgende patientZonder Andries Blitz en Jo Spier was het boek van mijn grootvader er nooit geweest.

Een andere relatie uit ICA-kringen was de eveneens Joodse Ir. J.A. Josephus Jitta, een man die zeer actief was in het Amsterdamse sociale leven en in 1934 de oprichter en eerste voorzitter was van de nog steeds bestaande Vrienden van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest.  

Van deze voor mijn opa belangrijke Joodse vrienden, zouden alleen Maupie de Hartogh en Jo Spier levend uit het concentratiekamp komen. Jo Spier kreeg na de oorlog zoveel kritiek op zijn overleven dat hij later zou emigreren naar Amerika. Maupie de Hartogh kwam in 1945 terug naar Amsterdam als een gebroken man en overleed in 1952.

Andries Blitz werd al in 1942 vermoord in Auschwitz. Jo Josephus Jitta kwam net als zijn echtgenote om in 1943 in concentratiekamp Sobibor. Allemaal prachtige Amsterdammers, die moesten sterven vanwege een waanzinnige rassenleer.

Andries_Blitz_(1935)
Uitgever Andries Blitz
Josephus Jitta
Jo en Rosi Josephus Jitta. Liefhebbers van cultuur.

 

 

Max en Jan
Een andere voor mijn opa belangrijke relatie was Max Goldenberg.  Hij is geboren op 26 augustus 1902 in Wenen en was een week jonger dan mijn grootvader die geboren is op 18 augustus 1902. Vermoedelijk is hij op jonge leeftijd al naar Amsterdam gekomen. Max Goldenberg had voor zover ik kan nagaan een vertaalbureau in Amsterdam-Zuid en speelde een prominente rol in het Joodse verenigingsleven in de hoofdstad.

Hoe de vriendschappelijke relatie tussen Max Goldenberg en mijn grootvader – laten we ze maar Max en Jan noemen – precies is ontstaan weet ik niet. In de loop van de jaren dertig kom ik ze vaak samen tegen in de krantenberichten. De parallellen in de levens van Max en Jan zijn opmerkelijk.

Niet alleen waren zij beide bijna precies even oud, ze waren allebei vurige patriotten en echte Oranje-klanten. Ook waren ze geboren leidersfiguren. Waar Jan al jong voorzitter was van de protestants georiënteerde Oranje Jeugdbond, was Max voorzitter van de NJJB, een bond van Joodse jongeren. Samen stonden ze ongetwijfeld onder invloed van de in 1937 overleden Mr. J. te Winkel, de nestor van de Amsterdame Oranjebeweging en de man die het ideaal koesterde om protestantse, katholieke, Joodse en nationale verenigingen te bundelen in de Oranje beweging.

Later zaten Max en Jan samen in het bestuur van het Amsterdamse Oranje-Comité, maar ook in het bestuur van de Amsterdamse afdeling van het ANV (Algemeen Nederlands Verbond). Heel vaak hoor je verhalen hoe toegewijd de Joodse gemeenschap voor de oorlog was in dergelijke verenigingen. Denk bijv. aan de Joodse weeskinderen waarvoor Max en Jan altijd iets organiseerden op Koninginnedag en Prinsessedag; weeskinderen die de oorlog bijna zonder uitzondering niet overleefden.

Al vanaf 1930 tref ik berichten aan dat mijn opa Joodse verenigingen bezocht om deze net als katholieke en protestantse verenigingen te bundelen binnen de Amsterdamse Oranje beweging. Mogelijk hebben veel Joodse Amsterdammers de Oranjebeweging later ook gezien als een soort van bescherming tegen de nazi’s en hun antisemitische gedachtegoed, al denk ik niet dat dit in 1930 al aan de orde was aangezien Hitler pas in 1933 aan de macht kwam in Duitsland.

De Oranjegezindheid en het patriottisme van veel Joodse Nederlanders heeft achteraf gezien voor velen een wrange ondertoon aangezien dit hen niets heeft geholpen en koningin Wilhelmina weinig heeft gedaan om hen te redden. Er is in de afgelopen jaren veel kritiek geweest op Wilhelmina vanwege haar weigering Joodse vluchtelingen toe te laten in de omgeving van haar landgoed en ook vanwege haar vertrek aan het begin van de oorlog naar Londen. Overigens wordt er door historici verschillend geoordeeld over de rol van koningin Wilhelmina wat betreft de Joodse bevolking in de oorlog. Bij mijn weten is nooit aangetoond dat Wilhelmina antisemitisch was. Dit blijft een moeilijke en zeer gevoelige discussie.

Er is een filmpje van de viering op de Dam in 1938 (zie ook foto boven dit blog) van het feest nageboorte van prinses Beatrix. Zie hieronder, met name vanaf de zesde minuut.

Je ziet in het filmpje goed dat de Joodse verenigingen met hun vaandels ’s avonds prominent aanwezig waren op de Dam. Het is triest om te bedenken dat deze Joodse Amsterdammers die in 1938 nog jubelden voor de pasgeboren prinses voor een groot deel de oorlog niet overleefd zullen hebben.

Max4
Fragment uit krantenbericht in 1938 n.a.v. de viering van de geboorte van prinses Beatrix

Ook Max en Jan waren daar aanwezig om “hun” troepen aan te voeren: Max de Joodse jongeren, Jan de jongeren van de oranje Jeugdbond. Mijn grootvader heeft die gedenkwaardige avond op de Dam nog het woord gevoerd.

Max Goldenberg en zijn vrouw zijn vlak voor het einde van de oorlog, in maart 1945, omgekomen in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

Max2
Telegraaf, 1965

Hoewel mijn grootvader daar nooit over sprak kwam Max Goldenberg  ineens naar voren toen hij vrij bruusk zijn voorzitterschap van het Oranje-comité opgaf in 1965, vanwege het aanstaande huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg.

Toen mijn grootvader zijn bezwaar tegen Claus als voormalig lid van de Duitse krijgsmacht onder Hitler uiteenzette – Claus had in Italië gediend in de 90e Panserdivisie “Toteskopf” –  sprak hij plotseling over een Joodse penningmeester in het Amsterdamse Oranje-Comité van voor de oorlog, die nooit was teruggekomen. Dat moet Max Goldenberg zijn geweest. Mijn grootvader zei tegen de verslaggever van de Telegraaf:“ik heb zelden zo een fijn mens gezien als hij”.

Max1

Dat is het verhaal van Max en Jan, voor zover ik het kon achterhalen. Jan sprak na de oorlog nooit over Max. Ik kende het verhaal zelf niet totdat ik erover las. Het leven ging door na de oorlog. Je moest verder, er is vooral veel gezwegen, maar zoals in 1965 bleek, twintig jaar na het einde van de oorlog: Jan was Max niet vergeten.

 

 

Advertenties

8 gedachtes over “Max en Jan

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s