Bron: De Telegraaf, november 1951. Een interview met mijn grootvader die sinds 1950 de rol van Sinterklaas vertolkte bij de Amsterdamse (toen nog nationale) intocht. Mijn opa die dierenarts was met een eigen praktijk, had in de ochtend een bijbaan als bacterioloog bij de gemeente. Ik vermoed dat het interview daar plaatsvond.

Van onze speciale verslaggever

opakleinWIJ troffen Sinterklaas omgeven door attributen en schedels van wijlen schimmels. Hij zat achter een lijvig schrijfbureau met een allercharmantste secretaresse. “Hoe vond u uw intocht, Sint?” Hij keek me aan, lang en doordringend.

“Héél diep in mijn hart: een beetje griezelig, jongeman”, sprak hij. “Een half miljoen mensen waren op de been. Dat is zeker een 250.000 meer dan vorige jaren. Volgens het Bureau van de Statistiek zijn er géén 250.000 geboorten per jaar in de hoofdstad. Dus zijn er meer mensen in mij gaan geloven.”

“Dat betekent”, vervolgde de Spaanse kindervriend, “dat het niet best gaat in Nederland. Het is, alsof de mensen het geloof in zichzelf verloren hebben. Het geloof, dat deze mensen in mij stellen berust op een misverstand. Zij verwachten van mij wonderen. Zij verwachten 2 miljoen gulden  voor de havens en een oplossing van de woningnood. Grote mensen zijn net kleine kinderen. Zij verwachten wonderen. Het doet er niet toe hoe de wonderdoener heet. Zo is het de hele geschiedenis door geweest. Het begon al met Iskander (Alexander de Grote) en met Stalin is het nog niet geëindigd”.

Iets anders
MAAR ik ben wat anders” aldus de bisschop van Myra, “ik wil een voorbeeld zijn. Een voorbeeld en een symbool van het goede in de mens, dat in de mens zélf is. De mensenliefde, de liefde tot de naaste. Ik verpersoonlijk de edelste drang van de mens: Goed te doen. Ik leer nu al eeuwenlang de gave van het geven. Het begint met het kind. Het kleine kind, dat een nog braakliggend terrein is voor goede invloeden. Ik heb een boek, waarin alle kinderdeugden en ondeugden staan opgetekend. Ik pas mijn geschenken aan bij de deugden en ik tracht al gevend de ondeugden te corrigeren”.

Boeman
“MAAR wat hebben de mensen van mij gemaakt:  een boeman…. een stok achter de deur om de kinderen, die zij zelf niet de baas kunnen 14 dagen per jaar zoet te houden. Zo is het niet voor mij. Ik wil een klein meisje dat niet van rekenen houdt een telraampje geven, opdat dit met liefde gegeven stukje speelgoed de afkeer in een plezierig spelletje kan veranderen”.

Het hart van suikergoed
“IK leer, dat geven geen kwestie is van geld. Ik doceer dat geven een zaak is van het hart en van de geestesgesteldheid van de gever. Een cadeau, hetzij groot, hetzij klein, moet weloverwogen zijn. Oók aan volwassenen. Net als het telraampje voor dat kind. Uit de gift moet de liefde en de zorg spreken, waarmee het gemaakt, gekocht, verpakt en vooral uitgekozen is. Het moet getuigen van liefde tot de medemens. Dat is het symbool van het hart van suikergoed, dat klakkeloos gekocht wordt, zonder bij de symboliek na te denken. Dit is de les die ik iedereen, en niet alleen de half miljoen langs mijn route, wil geven. Dit is de grootste gift die ik te bieden heb, en iedereen, groot of klein, arm of rijk aan wil bieden….”

Nooit genoeg concurrentie
“LAAT iedereen zó voor Sinterklaas spelen. Ik kan dan geen concurrentie genoeg hebben. Laat iedereen geven zijn liefde met de andere gaven, die dan “op de persoon gekozen” moeten zijn, zoals ik de 600 arme kinderen in de AMVJ ieder persoonlijk en toch alle samen toesprak…. Zet dat in uw krant. Dat is de gift voor de huisvrouw: want dit moet immers bij haar beginnen”.

Een beetje stil zijn we weggegaan.

opa intocht

Bron: Delpher

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s