hondjeEerder publiceerde ik op mijn blog het verhaal De genezing van de geleidehond Jan en ook de geschiedenis van Jacques, de goudvis.  Beide verhalen komen uit het boek van mijn grootvader, “Volgende patiënt!”,  gepubliceerd in 1940 door de Amsterdamse uitgever Andries Blitz.

Vandaag een (voorlopig) laatste fragment:
Poemie, de poes met haartjes in zijn oog.
Het verhaal wordt weer verteld vanuit het perspectief van de dierenartsassistente. 

***
De dokter heeft een prachtige doos sigaretten gekregen, mevrouw bloemen en de “zuster”een doos bonbons.
“Van een dankbare patiënt…”

Die dankbare patiënt was Poemie, een klein, onaanzienlijk schriebeltje van een poesje.

Je moet als kat maar geluk hebben in je ongeluk! Poemie is aangetroffen op de stoep van een herenhuis. Als ze hem een straat verder hadden neergezet, zou hij zijn ongeluk en dood tegemoet zijn gegaan. Nu stond hij net voor de deur van aardige mensen, die zich alles aan de vondeling gelegen lieten liggen.

Hetgeen nodig was. Want Poemie was er beklagenswaardig aan toe…
Niet alleen dat Poemie geboren is in een huis, waar men blijkbaar de meest elementaire begrippen van menselijkheid mist en dus zelfs niet zo meedogend is om een onwelgevallig katje te laten afmaken – “Zet maar op straat, dan zijn we van het gezanik af!”
– Poemie was ook door de natuur uitermate slecht bedacht.

Poemie
Poemie in de Duitse versie van het boek, getekend door Otto Pankok

Toen hij voor het eerst op ons spreekuur kwam, zaten zijn ogen dik onder de viezigheid. Wanhopig wreef hij er met zijn kleine pootjes in en daardoor maakte hij het nog erger.

“Wat moeten we nu met zo’n stakkerdje beginnen?” klaagde mevrouw Hoekstra, die hem had gebracht. “We hebben hem twee dagen in huis en het is een schat van een dier. In al zijn ellende zit hij te spinnen! M’n dochtertje is dol op de nieuwe aanwinst! Die ogen heb ik met boorwater uitgewassen, maar dat helpt niets…!”

“Mag ik u vragen, welke richting u uitveegt?” zei dr. Gajentaan.

“Gewoon, net als bij een mens. Naar de neus toe! ”

“In dit geval komt het er niet op aan, maar u moet toch altijd naar buiten vegen. Aan de binnenzijde van ’t oog heeft een kat een ooglid-zakje en daar wrijft u ’t vuil in, zodat het oog niet schoon wordt. Maar aan deze ogen kunt u een liter boorwater op de meest correcte manier gebruiken – het zal niets helpen.”

“Dus het is hopeloos…?” vroeg mevrouw Hoekstra treurig.

“Kijk eens mevrouw, – véél weten wij er niet van, maar zó magertjes is onze wetenschap nu ook niet! Stelt u eens voor, dat iedere oogaandoening hopeloos zou zijn, als boorwater geen genezing bracht! ’t Is een merkwaardig geval met dat poesje. In mijn praktijk heb ik het vier keer meegemaakt… De oogleden zijn namelijk naar binnen omgekruld en de ooghaartjes steken dus naar binnen.”

“Dus… dus… dan heeft die stumperd steeds haren in zijn oog!”

“Inderdaad…”

“Maar dat is toch een marteling! Als wij eens voortdurend een vuiltje in ons oog hadden, dan zou je toch het liefste dood willen zijn!”

“Of genezen worden,” merkte dr. Gajentaan glimlachend op. “En tot dat laatste zullen we dan ook maar overgaan, als u het goed vindt”.

“Maar natuurlijk…”

“Ik moet er één ding eerlijk bij zeggen: zo’n operatie heeft niet altijd evenveel succes. ’t Behoort niet tot de eenvoudigste dingen, maar we zullen erg ons best doen…”

Ik heb u al verteld, dat de dankbare Poemie ons met geschenken overladen heeft en daar kunt u uit afleiden, dat de oogoperatie succes heeft gehad. Heel voorzichtig heeft dr. Gajentaan de haren van de oogleden weggeknipt terwijl mevrouw en ik de patiënt zo vasthielden, dat geen beweging mogelijk was.

’t Was een heel peuterwerkje vooral bij zo’n klein katje. Maar geduld overwint alles. Toen Poemie plaatselijk verdoofd was, begon de operatie.
“Nou eens even precies uitmikken,” zei dr. Gajentaan. “Je moet er een beetje een timmermansoog voor hebben. Is het ooglid door de verdoving erg gezwollen? ‘k Geloof het niet…”

poesje 2Onder en boven het ooglid werd een klein driehoekje uitgesneden. Het was een heel precies werkje!
Als er iets te veel of iets te weinig werd weggenomen, zou de operatie kunnen mislukken. Want het was de bedoeling om de oogleden naar buiten om te krullen, zodat de haren niet meer in het oog konden komen. Met drie hechtinkjes werden de wondjes gesloten.

Het beeld van de horlogemaker en de machinebouwer kwam me weer in de gedachte, toen ik de subtiele vingerbewegingen van de dokter met gespannen aandacht volgde. De chirurgie staat voor niets!

“’t Is klaar!” hoorde ik de dokter mompelen. “Ik geloof wel, dat het gelukt is. Nu nog een zalfje met een verdovend middeltje er in over de wondjes strijken.
Denk erom: goed vasthouden! Als hij met zijn poot erbij komt, is alles verloren. Geef me de kraag eens aan.”

Poemie kreeg een mooie kartonnen kraag om, die hem zeventiende-eeuws stond.
En toen ging het kleine hoopje poes, waar zo’n zorg aan besteed werd, in het zindelijke ziekenkamertje-met-tralies.

Buitenstaanders denken misschien wel eens, dat de diergeneeskunde nooit de voldoening kan schenken die de gewone wetenschap biedt. In zoverre is dat waar, daar de patiënten zelf nooit een kik geven. Al houd ik tegenover alle sceptici vol, dat een genezen dier wel degelijk dankbaar is. Maar de mensen, die om het dier leven, weten wel degelijk hun dankbaarheid te betuigen! En denkt u alstublieft niet, dat ik het oog heb op al die bloemen, sigaretten en bonbons! Dat was natuurlijk een alleraardigste attentie.

Nee, ik bedoel de manier, waarop de hele familie Hoekstra op deze gebeurtenis heeft gereageerd. Vader, moeder, drie kinderen en het dienstmeisje kwamen in optocht naar het hokje om Poemie te zien.
En ze straalden!

opa-2“We hielden allemaal van dat kleine zwervertje!” zei meneer Hoekstra. “U heeft geen idee hoe blij we zijn, dat die kat van zijn kwelling is verlost en niet afgemaakt hoeft te worden!”
En hij gaf mijn baas een stevige hand.

De kinderen juichten en vroegen, of Poemie die prachtige kraag mocht houden, omdat die Poemie zo beeldig kleedde. En ze kregen al ruzie over het gewichtige probleem, wie Poemie naar huis mocht brengen als hij “genezen ontslagen” werd.

Dat was na veertien dagen het geval.
Ze droegen het mandje met voorzichtige tederheid.
Dit mandje bevatte maar niet zo’n gewoon poesje.
De kostelijke schat, waarvoor ze graag al hun speelgoed gegeven zouden hebben, werd huiswaarts gedragen!

***

schermafdruk-2016-12-17-17-18-36

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s