Ooit, toen ik werkte als personeelsmanager, had ik een jaar lang een stagiaire aan mijn zijde. Op een dag vroeg ze mij of het goed was dat er twee weken lang een mede-studente zou meelopen op de afdeling. Ze noemde dat een snuffelstage. Ik had geen bezwaar tegen de snuffelstagiaire en vroeg ook niet na wie de snuffelstagiaire dan wel zou zijn. Zo verscheen op een zekere maandag Fatima (gefingeerde naam) ten tonele. Fatima droeg een hoofddoek.

Hoewel ik er niet op reageerde, voelde ik me helemaal niet op mijn gemak door deze vooraf niet aangekondigde actie van mijn stagiaire. Het zou een vreemde indruk maken om Fatima aan mijn zijde te hebben, bijvoorbeeld bij sollicitatiegesprekken. Daarmee zou ik bij sollicitanten mogelijk de indruk geven dat de hoofddoek een geaccepteerde dresscode was in het bedrijf, wat bepaald niet zo was.

Al snel ging het nieuws van de snuffelstagiaire als een lopend vuurtje door het bedrijf en velen zagen er een bewuste actie in van de HR afdeling om diversiteit te bevorderen. Ik liet het maar op zijn beloop. Overigens was Fatima een hele vriendelijke dame, ik kan geen kwaad woord over haar zeggen. Erg uitgesproken in haar opinies was ze niet, meer het gevoeglijke type.

Hoe kom ik hier op? Wat ik ermee wil zeggen is dat we in Nederland, mezelf incluis, lang aan probleemontkenning hebben gedaan. Om moeilijke discussies te vermijden. Onder elkaar zeggen we wel dat we er niet vrolijk van worden, al die islamitische invloeden, maar om de confrontatie aan te gaan met zo iemand, nee, dat doen we liever niet. Voor je het weet word je gebrandmerkt als racist of islamofoob.

Herman Vuijsje boek

In ons land zijn we, als gevolg van islamitische massa-immigratie, door verschillende fases gegaan. De eerste fase, zo’n beetje van eind jaren zestig tot 1990, was die van de ontkenning. In 1986 schreef de socioloog Herman Vuisje daar een boek over, Vermoorde onschuld, met als ondertitel: etnisch verschil als Hollands taboe. We waren zó bang om voor koloniaal of racist te worden versleten, dat alle etnische, culturele en religieuze verschillen tussen onszelf en de nieuwkomers en het ongemak daarover,  ver onder het tapijt werden geschoven.

In 1991 doorbrak VVD’er Frits Bolkenstein (met toen al Geert Wilders als fractiemedewerker) de ban met zijn beroemde toespraak te Luzern waarin hij kritiek uitte op het Nederlandse immigratie – en integratiebeleid en stelde dat moslims in Nederland zich moeten aanpassen aan de hier geldende normen en waarden.  Een storm van kritiek stak op maar zijn betoog legde Bolkestein geen windeieren: hij steeg onmiddellijk in de peilingen en haalde onveranderlijk goede verkiezingsuitslagen binnen voor de VVD. Veel mensen herkenden zich in zijn kritiek.

Afijn, ik hoef het hele riedeltje niet af te lopen: na Bolkestein kregen we Fortuyn, Paul Scheffer als links immigratierealistisch buitenbeentje, Rita Verdonk, Wilders en Hirsi Ali, etc. Je zou kunnen stellen dat het zogeheten minderhedendebat de Nederlandse politiek en ook het publieke debat in de media al ruim 25 jaar domineert, al is er nog feitelijk steeds weinig veranderd aan ons immigratie- en integratiebeleid, hooguit wordt de toegang tot Nederland bemoeilijkt maar het asielbeleid staat daar weer haaks op zodat de intocht van veelal kanslozen op de arbeidsmarkt met islamitische achtergrond gewoon doorgaat.

Het punt dat ik eigenlijk wil maken is dit: we praten in Nederland al 25 jaar over elkaar, maar praten we ook met elkaar? Gaan we de confrontatie aan? Leggen we aan moslims uit waarom die hoofddoek, boerka of boerkini ons irriteert, omdat hiermee een belangrijke code doorbroken wordt?

Een code die erop is gebaseerd dat wij in Nederland religie als een privé aangelegenheid beschouwen en onze contacten op het werk of op school daar niet door laten domineren. Die code wordt ruw doorbroken als iemand met een hoofddoek op werk of school verschijnt, of in een boerkini in het zwembad.

Niet alleen gaan de meesten van ons – mezelf incluis – dat lastige gesprek niet aan, het is zelfs zo dat het dragen van prominente religieuze symbolen indirect gestimuleerd wordt door onze overheid vanuit één of ander progressief ideaal. Denk aan personeelsadvertenties of brochures van woningcorporaties waarop vaak een vrouw met hoofddoek staat geportretteerd als gelukzalig symbool van emancipatie.

Zo krijgen jonge moslima’s, zoals de twee boerkinidraagsters die afgelopen maandag bij Pauw verschenen, nooit te horen dat er iets mis is met hun opstelling totdat ze ineens merken in het zwembad dat hun boerkini irritatie en wrevel opwekt. Vervolgens gaan ze luidkeels klagen over discriminatie, zonder zich af te vragen waar die wrevel vandaan komt en waarom veel Nederlanders zich niet prettig voelen bij zoveel ostentatief religieus-ideologisch vertoon in het zwembad of elders.

De meeste Nederlandse politieke partijen, met uitzondering van de PVV, zijn tegen een boerkiniverbod. Het is een lastige discussie. Veel mensen die ik ken krijgen er maagpijn van en wie kan het ze kwalijk nemen? Want hier botsen twee essentiële vrijheden: het recht om te dragen wat je wil en het recht om in de publieke ruimte gevrijwaard te blijven van opdringerige religieuze en/of ideologische symbolen.

Aangezien de islam een combinatie is van een religie, een ideologie en een rechtssysteem (de sharia) krijg je er als nietsvermoedende zwemmer met het islamitische badpak dus drie tegelijk voor je kiezen. Alsof iemand in rechterstoga, als non én als soldaat tegelijk naast je op de duikplank staat. Dat is ook voor mij iets te veel van het goede (of slechte), dus vind ik dat we een boerkiniverbod moeten overwegen.

Toch heb ik het gevoel dat er een stap ontbreekt. In het minderhedendebat zijn we van “negeren” (1965 – 1990) naar “praten over” (1990 tot nu) gegaan, maar zijn we echt het gesprek aangegaan? Hebben we goed uitgelegd waarom die hoofddoek, boerka of boerkini ons irriteert en we ons daarmee niet op ons gemak voelen? Zijn we die confrontatie echt aangegaan?

Misschien moeten we dat eerst doen. Als dat niet helpt, kun  je altijd nog verbieden.

 

 

Advertenties

Een gedachte over “Moet de boerkini verboden worden?

  1. Prima opinie. Regelgeving in NL is altijd al vaag geweest. Niet zonder reden. Moet je nonnen in absurde kledij verbieden? Lijkt mij nu óók na de stellingen van Jan een punt. Spreekt voor zichzelf dat men in NL zich zoveel mogelijk aan de Nederlandse cultuur houdt. Nonnen, pastoors, ‘zwarte kousen’ enz horen die bij onze religieuze cultuur?
    Moeilijk vraagstuk. Praten lijkt mij inderdaad de oplossing. Én respect voor meerderheidsstandpunt.
    Ook mediahypes moeten hierover worden tegengegaan. Vroeger waren er ook boerkini’s van enkelingen – in welke vorm dan ook – en daarover werd nauwelijks gesproken. Je had toen ook al alles verhullende badpakken. Men dacht wel het zijne ervan. Een verbod lijkt mij ook weer het paard achter de wagen spannen. Praten misschien? En keiharde, stenge islam (bepaalde salafisten, IS-gedachten) tegengaan. Deze extremisten zijn niet welkom. Onderscheid maken tussen moslimextremisme en totaal verbod op Islam (wat PVV in haar verkiezingsprogramma heeft opgenomen) gaat veel te ver. Moslims die net zoals katholieken en gereformeerde gemeenten onze cultuur omarmen accepteren en vooral respecteren indien
    zij ons standpunt ook respecteren.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s